Aan dit artikel wordt toepassing gegeven voor het tijdelijk plaatsen en/of gebruiken van een woonkeet, woonunit of stacaravan voor bewoning bij het (ver)(her)bouwen van een (bedrijfs)woning, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
de grond dient in eigendom te zijn van de aanvrager van de vergunning, of er dient schriftelijk toestemming voor het gebruik verkregen te zijn van de eigenaar van de grond;
de tijdelijke woonvoorziening wordt geplaatst aan de achterzijde van het perceel, achter de te (ver)(her)bouwen woning, binnen de functie ‘Wonen’;
indien objectief kan worden aangetoond dat plaatsing volgens het bepaalde in het tweede lid niet mogelijk is, kan plaatsing in het zij- of voorerf of op een andere locatie worden overwogen;
de tijdelijke woonvoorziening wordt gebruikt door de hoofdbewoner van de te (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning;
de tijdelijke woonvoorziening wordt uitgevoerd in 1 bouwlaag;
de tijdelijke woonvoorziening moet zodanig zijn gelegen dat dit niet leidt tot verkeersonveilige situaties of onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen;
de tijdelijke woonvoorziening dient verwijderd te worden en het gebruik dient gestaakt te worden binnen 3 maanden na gereedmelding van de te (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning, maar in ieder geval binnen 3 maanden na ingebruikname van de te (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning;
de tijdelijke woonvoorziening dient goed bereikbaar te zijn voor hulpdiensten.
HOOFDSTUK 2 › PARAGRAAF 2.2
Artikel 7.1:
Tijdelijke bewoning woonkeet, woonunit en stacaravan
Onderdeel van Beleidsregels buitenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwregels 2025