Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6:

Artikel 6:8

Aanvraag en verantwoording

Onderdeel van SUBSIDIEREGELING STERKE PEDAGOGISCHE BASIS LEIDSCHENDAM-VOORBURG 2026

Een subsidieaanvraag voor peuteropvang kan enkel worden ingediend door een houder. In afwijking van het gestelde in artikel 9, eerste lid van de Asv moet de aanvraag worden ingediend vóór 1 november, voorafgaand aan het boekjaar tot en met de laatste dag van het boekjaar. Voor het aanvragen van subsidie dienen de volgende gegevens en stukken overlegd te worden: het aanvraagformulier voor subsidie Peuteropvang van de gemeente Leidschendam-Voorburg; het format subsidiegegevens peuteropvang. Bij een aanvraag voor subsidie VE moeten houders onverlet het bepaalde in het derde lid onder a ook een werkplan VE indienen. Hiervoor maken houders gebruik van het format ‘aanvraag en verantwoording VE-subsidie’. Indien gedurende de periode waarop de subsidieverlening betrekking heeft voor de betreffende peuteropvang bestuursrechtelijke handhaving van kracht wordt, kan de subsidieverlening worden herzien of ingetrokken. Op grond van artikel 15 van de Asv verplicht het college de houder op uiterlijk 15 juli van het lopende subsidiejaar een tussenrapportage op te leveren aan het college over de periode januari tot en met juni van dat jaar, middels het format tussenrapportage peuteropvang. In afwijking van het gestelde in artikelen 20 en 21 van de Asv levert houder op uiterlijk 1 mei van het jaar volgend op het jaar waarover subsidie is verleend, een verzoek in tot subsidievaststelling. Bij het verzoek tot subsidievaststelling wordt naast een inhoudelijk verslag van de uitgevoerde activiteiten het format eindrapportage peuteropvang bij het college aangeleverd. VE-locaties leveren bij de aanvraag tot subsidievaststelling een evaluatie van het werkplan VE aan zoals ingediend bij de aanvraag. Indien de gemeente inzage in gegevens, genoemd onder artikel 6:6, eerste lid opvraagt, worden deze door de houder enkel anoniem, niet tot de persoon te herleiden, verstrekt. De vaststelling van de subsidie vindt plaats door toepassing van hetgeen gesteld in artikel 6:7, vierde lid, op basis van de informatie uit de eindrapportage zoals genoemd in het zevende lid van dit artikel. Indien gedurende of na afloop van de subsidieperiode blijkt dat het werkelijk gehanteerde uurtarief voor ouders die een beroep doen op de kinderopvangtoeslag lager is dan het werkelijk gehanteerde uurtarief voor de door het college gesubsidieerde peuterplekken, kan het college de subsidie herzien of lager vaststellen. 11. De subsidieontvanger kan het college verzoeken om uitstel van de in het zesde en zevende lid genoemde verplichting. Een dergelijk verzoek wordt minimaal vier weken voor de genoemde datum voorzien van een motivering ingediend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel