Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5. › Paragraaf 5.4.

Artikel 5.4.1.

Bodemverontreiniging

Onderdeel van Handboek kabels en leidingen Nieuwegein

1.. Voor werkzaamheden in of met verontreinigde grond is de Wet bodembescherming (Wbb), of de opvolger daarvan, onverkort van toepassing. De door het CROW uitgebrachte richtlijn “Werken in en met verontreinigde bodem” (publicatie 400) geldt ook. De grondroerder moet altijd werken volgens de meest recente versie van deze richtlijn. 2.. De initiatiefnemer van een project moet vooraf inventariseren (CROW-publicatie 400) of er zich verdachte locaties binnen het werkgebied bevinden. Onder andere via de websites www.bodemloket.nl (initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk) en www.rwsleefomgeving.nl (Rijkswaterstaat) is te achterhalen waar zich verontreinigde of verdachte locaties bevinden. Als de grondroerder initiatiefnemer is kan hij voor de meest recente informatie of detailinformatie contact opnemen met de gemeente. 3.. Als een grondroerder een kabel- c.q. leidingtracé wil aanleggen in een gebied waarvan vooraf is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is ligt een eventuele saneringsplicht bij de grondroerder. 4.. Behalve het onderzoek als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, zorgt de grondroerder er conform het bepaalde in artikel 5.4, eerste lid, voor dat de juiste noodzakelijke (beschermings-) maatregelen in acht worden genomen en legt daarvoor voorwaarden vast in een VG&M-plan. 5.. Als de gemeente initiatiefnemer is neemt zij die maatregelen die noodzakelijk zijn vanwege wetgeving en eventueel aanvullende eisen die de gemeente zelf of het bevoegd gezag stelt in het kader van het betreffende project. De gemeente is niet gehouden te voldoen en geeft geen invulling aan kwaliteitseisen die netbeheerders zelf stellen ten aanzien van hun netstructuur in (voormalig) verontreinigde grond.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel