De in artikel 3 gestelde verboden gelden niet indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften:
de verharding of het gebouw is zodanig geconstrueerd dat water onderscheidenlijk van daken afstromend hemelwater niet op of in de bodem wordt geloosd of
er is een voorziening voor afvoer van dat water via een zuiveringstechnisch werk of
voor een gebouw: voor zover via het hemelwater vanuit het dakmateriaal, de hemelwaterafvoer of anderszins in het traject tot het op de bodem brengen of geraken van het hemelwater, door uitloging of anderszins, geen verontreinigende stoffen worden toegevoegd of redelijkerwijs kunnen worden toegevoegd;
een zuiveringstechnisch werk als bedoeld onder b voldoet aan de voorwaarden, gesteld in de Handreiking bij de keuze voor behandelmethoden na afkoppelen van DHV van 16 juli 2001 Registratienummer AzuEHONA992903 en de Leidraad riolering B2100 “Doelmatige omgang met hemelwater; technisch instrumentarium” van juli 2000 en de eventuele aanpassingen daarvan, dan wel aan minimaal daarmee gelijk te stellen voorwaarden;
een zuiveringstechnisch werk als bedoeld onder b wordt minimaal onderhouden overeenkomstig de Leidraad riolering B2100 “Doelmatige omgang met hemelwater; technisch instrumentarium” van juli 2000 en de “Richtlijnen voor aanleg en beheer en onderhoud van infiltratie- en percolatievoorzieningen” van de TU Delft van april 1999 en de eventuele aanpassingen daarvan;
een meetplan is overgelegd voor de toetsing van het correct functioneren van het zuiveringstechnisch werk; dit plan geeft in elk geval informatie over de locaties van peilbuizen en het analyseprogramma;
de kwaliteit van het onder b bedoelde, via een zuiveringstechnisch werk te lozen hemelwater voldoet aan de streefwaarden van ondiep grondwater zoals opgenomen in de laatst vastgestelde circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering respectievelijk de algemene maatregel van bestuur ingevolge artikel 36 en 37, zesde lid van de Wet bodembescherming.
Artikel 4.