Naar hoofdinhoud
Het in artikel 4 gestelde verbod geldt buiten inrichtingen niet voor: het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, niet zijnde bestrijdingsmiddelen, bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; het onderhouden van bestaande wegen; het onderhouden van bestaande rioleringen; meststoffen als gevolg van het beweiden van dieren; aardgasleidingen; het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; het oprichten van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer voorzover daarvoor een vergunning krachtens de Grondwaterwet is verkregen of algemene voorschriften krachtens de Wet bodembescherming gelden; het onderzoeken en saneren van de bodem als bedoeld in de Wet bodembescherming, mits degene die deze handelingen verricht alle maatregelen treft die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde het risico van verticale verspreiding van verontreinigingen als gevolg van deze handelingen te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk ongedaan te maken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel