De opsporing van de in artikel 9 strafbaar gestelde
feiten is, behalve aan de in artikel 141 van het wetboek
van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren,
opgedragen aan hen die door het daartoe bevoegde
bestuursorgaan met de zorg voor de naleving van het
bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast,
ieder voor zover het de feiten betreft die in de
betreffende lastgeving zijn vermeld.