Naar hoofdinhoud
111. Een bestuurder die het voornemen heeft in het kader van zijn ambt een buitenlandse reis te maken, heeft vooraf toestemming nodig van gedeputeerde staten. Provinciale staten worden van het besluit tot het maken van een buitenlandse reis op de hoogte gesteld. 112. Een bestuurder die het voornemen van een buitenlandse reis meldt, verschaft informatie over het doel van de reis, de bijbehorende beleidsoverwegingen, de samenstelling van het gezelschap en de geraamde kosten. 113. Uitnodigingen voor buitenlandse reizen, werkbezoeken en dergelijke op kosten van derden worden altijd besproken in gedeputeerde staten en worden onder meer getoetst op het risico van belangenverstrengeling. Het provinciaal belang van de reis is doorslaggevend voor de besluitvorming. 114. Van de buitenlandse reis wordt een verslag opgesteld. Buitenlandse reizen worden vermeld in een jaarverslag. 115. Het ten laste van de provincie meereizen van de partner van een bestuurder is uitsluitend toegestaan wanneer dit gebeurt op uitnodiging van de ontvangende partij en het belang van de provincie daarmee is gediend. Het meereizen van de partner wordt bij de besluitvorming van gedeputeerde staten betrokken. 116. Het anderszins meereizen van derden -zonder dat sprake is van een aantoonbaar belang voor de provincie- op kosten van de provincie is niet toegestaan. Het meereizen van derden op eigen kosten is toegestaan en wordt in dat geval bij de besluitvorming van gedeputeerde staten betrokken. 117. Het verlengen van een buitenlandse dienstreis voor privé-doeleinden is toegestaan, mits dit is betrokken bij de besluitvorming van gedeputeerde staten. De extra reis- en verblijfkosten komen volledig voor rekening van de bestuurder. 118. De in verband met de buitenlandse dienstreis gedane functionele uitgaven worden vergoed conform de geldende regelingen.

Rechtspraak bij dit artikel