Naar hoofdinhoud
1. De in artikel 3, tweede lid, artikel 4 en artikel 5, eerste lid, gestelde verboden zijn niet van toepassing op inrichtingen die op 31 december 1993 in het grondwaterbeschermingsgebied Zeist bestonden, voor zover het de toestand betreft waarin zij op die datum verkeerden. 2. De in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, gestelde verboden zijn voor een inrichting in het grondwaterbeschermingsgebied Zeist niet van toepassing indien: in de inrichting de werking wordt voortgezet van een andere inrichting in het grondwaterbeschermingsgebied en vast staat dat de werking van die andere inrichting wordt beëindigd; er voor de verplaatsing dringende maatschappelijke of bedrijfseconomische redenen zijn; oprichting van de richting buiten het gebied in redelijkheid niet mogelijk is en in redelijkheid moet worden aangenomen dat de verplaatsing per saldo gunstige gevolgen heeft voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. 3. Degene die in het tweede lid bedoelde inrichting opricht, meldt bij de aanvraag van de vergunning, bedoeld in artikel 8.1 van de wet, dan wel bij de melding, bedoeld in artikel 8.41 van de wet, op welke wijze aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden wordt voldaan. Het bevoegd gezag stelt een formulier voor de melding vast. 4. Degene die verantwoordelijk is voor de beëindiging van de werking van de in het tweede lid, onder a, bedoelde andere inrichting, meldt bij het bevoegde gezag voor die inrichting of, en zo ja in hoeverre de bodem onder inrichting is verontreinigd. Daarbij wordt aangegeven hoe de conclusie is vastgesteld en worden eventuele onderzoeksrapporten overgelegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel