Naar hoofdinhoud
1. De commissie bestaat uit ten hoogste tien leden, met inbegrip van de voorzitter. 2. Gedeputeerde staten en provinciale staten gezamenlijk benoemen de leden van de commissie op grond van hun deskundigheid op het werkterrein van de commissie. 3. In de commissie hebben, naast de voorzitter, zitting: de inspecteur van het Ministerie van VROM, regio Noord-West (ambtshalve lid); een lid, te benoemen uit de kring van Utrechtse gemeenten; een lid, te benoemen uit de kring van waterbeheerders; een lid, te benoemen uit de kring van het bedrijfsleven; een lid, te benoemen uit de kring van landbouworganisaties; een lid, te benoemen uit de kring van recreatie-organisaties; een lid, te benoemen uit de kring van milieu- en natuurbeschermingsorganisaties; een lid, te benoemen uit de kring van het Natuur en Milieu Planbureau; een lid, te benoemen uit Universitaire Kring (Copnernicus Instituut); een lid, te benoemen uit de kring van de Raad voor Ruimtelijke, milieu en Natuuronderzoek (RMNO). 4. Gedeputeerde staten en provinciale staten gezamenlijk kunnen voor elk lid een plaatsvervanger benoemen. 5. De leden hebben in de commissie zitting zonder last. 6. Leden van gedeputeerde staten en provinciale staten en personen die zijn aangesteld in dienst van de provincie, dan wel van een gemeenschappelijk orgaan of openbaar lichaam dat is ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, stichting, maatschap, vennootschap, vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij waar de provincie aan deelneemt, kunnen niet lid of plaatsvervangend lid van de commissie zijn.

Rechtspraak bij dit artikel