Naar hoofdinhoud
1. Gedeputeerde staten verlenen geen algemeen mandaat aan hun leden, met uitzondering van de gevallen genoemd in het derde lid. 2. Een mandaat voor een bepaald geval, verleend aan een lid van gedeputeerde staten, is slechts van kracht indien de verlening schriftelijk is vastgelegd. 3. Het betrokken lid van gedeputeerde staten is bevoegd: brieven in het kader van interbestuurlijk toezicht vast te stellen en te ondertekenen die: betrekking hebben op de beleidsdomeinen van de Verordening systematische toezichtinformatie provincie Utrecht, met toevoeging van huisvesting vergunninghouders; en niet betreffen: een indeplaatsstellingsbesluit als bedoeld in artikel 124 Gemeentewet, artikel 32b Wet gemeenschappelijke regelingen en artikel 60 Waterschapswet, of een besluit inzake preventief financieel toezicht als bedoeld in artikel 203 van de Gemeentewet. In dat geval is de portefeuillehouder Financieel Toezicht bevoegd in overeenstemming met het gestelde onder e. voor zover het de portefeuillehouder Landelijk Gebied, betreft, besluiten te nemen en stukken te ondertekenen in het kader van onroerend goed transacties, sloop, verpachting en herinrichting in het kader van de realisatie van de AVP/ILG-doelstellingen en, voor zover deze buiten de mandaten van de gebiedscommissies en DLG/BBL vallen en te besluiten tot het bieden van schadeloosstelling in zogenaamde uitwerkingsgebieden, indien naar zijn oordeel het aan te kopen onroerend goed in een gebied ligt dat naar verwachting te zijner tijd door Provinciale staten als prioritair gebied aangewezen zal worden. het ondertekenen van brieven van informatieve aard; het indienen van zienswijzen op grond van de Algemene wet bestuursrecht in het kader van besluiten van andere bestuursorganen, iedere bestuurder voor zover het zijn portefeuille betreft; voor zover het de portefeuillehouder Financieel Toezicht betreft, besluiten te nemen als bedoeld in artikel 203 van de Gemeentewet, met dien verstande dat in mandaat genomen besluiten in de eerstvolgende collegevergadering worden bekrachtigd; voor zover het de portefeuillehouder Financiën betreft, besluiten te nemen inzake de uitzetting van provinciale gelden, anders dan bij de Schatkist van het ministerie van Financiën, vanaf een bedrag van € 10 miljoen per uitzetting; overeenkomsten, vastgesteld en aangegaan door het college, op ondergeschikte onderdelen dan wel redactioneel te wijzigen alsmede overeenkomsten te ondertekenen; tot het aanvragen en verantwoorden van subsidies bij de verschillende bestuursorganen van de rijksoverheid; het ondertekenen van beleidsbrieven die betrekking hebben op de door GS vastgestelde strategische kaders; tot het nemen van de verschillende besluiten in het kader van het subsidieproces, alsmede de besluiten tot het aangaan en het ondertekenen van een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 4:36 Algemene wet bestuursrecht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel