**1.** Het algemene mandaat van de secretaris geldt niet voor:
het vaststellen van nieuw beleid of wijzigen van bestaand beleid;
het vaststellen van stukken die van gedeputeerde staten of van de commissaris van de Koningin uitgaan en aan provinciale staten of aan een statencommissie zijn gericht;
het doen van uitingen, gericht tot andere bestuursorganen, tenzij ter uitvoering van een wettelijke taak en in overeenstemming met bij het betrokken orgaan bekend beleid of met geheel bij de wettelijke regeling of jurisprudentie bepaald beleid;
het beslissen op bezwaarschriften;
besluiten om namens de provincie, provinciale staten of gedeputeerde staten rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te gaan voeren;
het aanstellen, schorsen en ontslaan van personeelsleden in de functie van directeur of concerncontroller;
het opleggen van de disciplinaire straf ontslag;
h. het aangaan van verplichtingen in strijd met de productenbegroting, bedoeld in artikel 4:1, tweede lid, van de Verordening interne zaken provincie Utrecht 2004;
het uitzetten van provinciale tegoeden voor bedragen vanaf € 10 miljoen per uitzetting;
het toekennen van structurele pensionkostenvergoedingen aan medewerkers in het kader van woon-werkverkeer;
de verschillende besluiten in het kader van het subsidieproces, alsmede het besluiten tot het aangaan van en het ondertekenen van een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 4:36 Algemene wet bestuursrecht, voor zover het subsidies betreft die meer bedragen dan € 25.000,-.
**2.** De uitzonderingen, bedoeld in het eerste lid, onder b en c, zijn niet van toepassing indien het uitvoering betreft van een eenduidig besluit van provinciale staten, gedeputeerde staten of de commissaris van de Koningin.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 15