1. Het is verboden in een stiltegebied buiten inrichtingen een toestel als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder te gebruiken indien daardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord.
2. Een toestel als bedoeld in het eerste lid is in elk geval:
a. een airgun- en een ander knalapparaat en een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken in het kader van seismologisch onderzoek en opsporingsonderzoek naar of ontginning van de in de bodem aanwezige stoffen;
b. een motorisch aangedreven werktuig, te gebruiken in het kader van de aanleg van kabels en buisleiding in of op de bodem;
c. een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen;
d. een modelvliegtuig, modelboot of modelauto, indien aangedreven door een verbrandingsmotor;
e. een muziekinstrument en een andere daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat al dan niet gekoppeld met een geluidsversterker;
f. een jetski die wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;
g. een schietwapen.
Hoofdstuk › Afdeling › Paragraaf
Artikel 5.1.5
Verbodsbepalingen
Onderdeel van Verordening ter bescherming van het milieu (Pmv)