1. In het geval een aanvraag om ontheffing of een voornemen een beschikking te geven op grond van artikel 7.6 of 7.7 betrekking heeft op een krachtens artikel 5.1.3, eerste en tweede lid, gesteld verbod, stelt het bevoegd gezag
a. de inspecteur,
b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd plaatsvindt of zal plaatsvinden, en
c. het waterleidingbedrijf, in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van die aanvraag, respectievelijk over dat voornemen.
2. Een besluit op een aanvraag om ontheffing die betrekking heef op een gedraging of inrichting waarop regels krachtens artikel 5.1.3, eerste en tweede lid van toepassing zijn, wordt binnen zes maanden na de ontvangst van de aanvraag gegeven.
3. Een besluit als bedoeld in artikel 7.6 of 7.7 dat betrekking heeft op een inrichting waarop krachtens artikel 5.1.3 gestelde regels van toepassing zijn, wordt gegeven binnen zestien weken nadat het voornemen een besluit als bedoeld in artikel 7.6 of 7.7 te nemen bekend is gemaakt aan degenen tot wie het besluit is gericht.