Naar hoofdinhoud
1. Indien een lid wil beraadslagen over een onderwerp dat niet op de agenda is aangekondigd, maar wat de provincie aangaat of aan kan gaan, dient hij daartoe een schriftelijk voorstel tot het houden van een interpellatie in bij de voorzitter, met een toelichting. Hij doet dat ten minste drie dagen voor de betreffende vergadering en geeft daarbij op welke vragen hij wil stellen. De voorzitter brengt de inhoud van het voorstel zo spoedig mogelijk ter kennis van de leden. Provinciale staten bepalen of het voorstel wordt behandeld. Voor zover provinciale staten zich met het voorstel verenigen, bepalen zij de dag waarop de gevraagde verantwoording of inlichtingen zullen worden gegeven. Gedeputeerde staten kunnen, indien dat hun gewenst voorkomt, het antwoord op de gestelde vragen reeds schriftelijk aan provinciale staten meedelen. De vragen en het eventuele schriftelijk antwoord vormen een agendapunt voor de vergadering waarin de interpellatie gehouden zal worden. Provinciale staten kunnen, indien gedeputeerde staten daarmee instemmen, besluiten tot een mondelinge afdoening terstond na de aanvaarding van het voorstel tot het houden van een interpellatie. In een eerste spreektermijn krijgt alleen de interpellant het woord. Na het antwoord van gedeputeerde staten of een lid van dat college kan de interpellant opnieuw het woord verkrijgen. Vervolgens kunnen ook andere leden in beginsel in ten hoogste twee spreektermijnen aan de beraadslaging deelnemen. Pr.w. 151-1: Een lid van provinciale saten kan gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning mondeling of schriftelijk vragen stellen.

Rechtspraak bij dit artikel