De voorzitter stelt toehoorders bij een openbare vergadering van de commissie op hun verzoek in de gelegenheid het woord te voeren tijdens de vergadering.
Het hiervoor bedoelde verzoek dient uiterlijk op de werkdag voorafgaande aan de vergadering bij de griffier te worden ingediend, onder vermelding van het punt of de punten waarover men het woord wil voeren.
Verzoeken met betrekking tot punten die niet op de agenda staan, maar wel op het terrein van de commissie liggen, worden ten minste een week voor de vergadering ingediend bij de griffier. Het betreffende punt wordt dan aan de agenda toegevoegd. De voorzitter kan, als hij dat vanuit het oogpunt van een adequate voorbereiding dienstig acht, besluiten het punt niet in de eerstvolgende vergadering aan de orde te stellen (1). Hiervan is sprake als in de agendering van het betreffende punt reeds voor een volgende vergadering is voorzien.
Bij de behandeling van ieder agendapunt met uitzondering van de rondvraag, stelt de voorzitter degene die het daartoe strekkend verzoek heeft ingediend in de gelegenheid het woord te voeren over het aan de orde zijnde agendapunt.
Voor een toehoorder die in de gelegenheid wordt gesteld het woord te voeren geldt een spreektijd van ten hoogste vijf minuten per punt. De totale spreektijd per punt is ten hoogste vijftien minuten. Hiervan kan worden afgeweken indien er behalve van inspreken ook sprake is van horen.
Artikel 66.