Mondelinge stemming bij hoofdelijke oproeping vindt plaats naar de volgorde van de namen op de uit de presentielijst samengestelde stemlijst. Voor iedere stemming bepaalt de voorzitter door trekking van een nummer bij welke naam op de stemlijst het afroepen van de namen wordt begonnen. Ieder lid brengt zijn stem uit met het woord "voor"of het woord "tegen", zonder enige bijvoeging. Van de uitgebrachte stemmen houdt de griffier aantekening op de stemlijst. De uitslag van de stemming wordt aan de hand van deze lijst bepaald.
Artikel 37.