Naar hoofdinhoud
1. Het subsidieplafond voor de subsidie: a. aan de stichting, aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 17, voor zover het de steunfunctie ten behoeve van de stichting betreft, en aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 18, voor zover de vertrouwenspersonen werkzaam zijn ten behoeve van de cliënten van het bureau jeugdzorg, onderscheidenlijk b. aan de zorgaanbieders, aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 17, voor zover het de steunfunctie ten behoeve van de zorgaanbieders betreft, aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 18, voor zover de vertrouwenspersonen werkzaam zijn ten behoeve van de cliënten van de zorgaanbieders, en aan cliëntenorganisaties is in enig boekjaar de uitkering aan de provincie voor dat jaar, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk b, van de wet. 2. Indien een uitkering met het oog op bepaalde activiteiten of vanwege kostenontwikkelingen wordt verhoogd of verlaagd of bijgesteld ten opzichte van het bedrag waarvan bij de verlening van subsidies was uitgegaan, wordt het verschil in de desbetreffende subsidies doorberekend. 3. Een subsidie kan hoger worden vastgesteld dan volgt uit het eerste of tweede lid indien dat wenselijk is en indien overschotten bij de provincie op uitkeringen in vorige jaren dat mogelijk maken of daarvoor uit eigen middelen een bedrag op de provinciale begroting is gebracht. 4. Indien een uitkering om andere dan in het tweede lid bedoelde redenen wordt verhoogd, kunnen gedeputeerde staten het meerdere gebruiken voor subsidiëring van meer of andere vormen van jeugdzorg.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel