Naar hoofdinhoud
Mandaathouder oefent de gemandateerde bevoegdheden uit met inachtneming van aanwijzingen van de mandaatgever. Een mandaathouder neemt bij de uitoefening van bevoegdheden te allen tijde de bepalingen van de vastgestelde budgethoudersregeling in acht. Mandaathouder kan uitsluitend gebruik maken van een mandaat voor het aangaan van financiële verplichtingen voor zover daarin is voorzien in de begroting of in een afzonderlijk raadsbesluit en op het moment van het besluit mandaathouder nog voldoende budget beschikbaar heeft; Wanneer mandaathouder niet ook budgethouder is, moet voorafgaand aan het aangaan van de financiële verplichting afstemming met de budgethouder plaats vinden. Het mandaat geldt niet als: a. het bestuursorgaan, portefeuillehouder of hoger geplaatste functionaris dit aan mandaathouder kenbaar heeft gemaakt; b. artikel 169, vierde lid, van de Gemeentewet van toepassing is; c. het voornemen bestaat om af te wijken van het gevoerde beleid; d. de mandaathouder of diens plaatsvervanger een persoonlijk belang heeft bij het te nemen besluit; e. door het bestuursorgaan een specifiek, andersluidend mandaats- of volmachtsbesluit is genomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel