Naar hoofdinhoud

Artikel 10.

Wijze van heffing en termijn van betaling

Onderdeel van Verordening Parkeerbelastingen 2025 - 2026

1.. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen wordt geheven door voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door burgemeester en wethouders gestelde voorschriften. 2.. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid moet de belasting overeenkomstig de voldoening op aangifte worden betaald binnen één maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het inloggen op het centrale register via een telefoon of een ander communicatiemiddel. 3.. De belasting voor een vergunning, bedoeld in artikel 3, eerste lid onder b wordt geheven door een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder ook wordt begrepen een nota. De belasting wordt voldaan op het moment dat de vergunning wordt verleend. 4.. Parkeerplaatsgeld, bedoeld in artikel 3, tweede lid wordt geheven door voldoening op aangifte waaronder wordt begrepen een schriftelijke kennisgeving danwel een nota. 5.. Een naheffingsaanslag is direct inbaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel