Naar hoofdinhoud
1. Een subsidie voor de kosten van verwerving van grond als bedoeld in artikel 2 wordt verleend indien het aankoopbedrag niet meer bedraagt dan de reële marktwaarde. 2. GS kunnen hierop een uitzondering maken als de verwerving valt onder een vastgesteld aankoopstrategieplan. 3. Als subsidiabele kosten worden aangemerkt de volgende kosten: a. het aankoopbedrag; b. het kadastraal recht en het registratierecht; c. veiling- en notariskosten; d. overdrachtsbelasting voor zover geen kwijtschelding of vermindering wordt verleend; e. schenkingsrecht voor zover geen kwijtschelding of vermindering wordt verleend; f. het afkoopbedrag van de landinrichtingsrente voor zover die rust op het verworven terrein; g. kosten verbonden aan het verlies bij verkoop of sloop van gebouwen; h. de kosten van gedeeltelijke of volledige schadeloosstelling, voorzover deze binnen een door of namens GS vastgesteld aankoopstrategieplan zijn gemaakt; i. indien onteigening heeft plaatsgevonden: de bij de levering van de grond door de onteigenende instantie aan de subsidieontvanger doorberekende kosten van de onteigening; j. hervestigings- of beëindigingskosten, voor zover deze kosten bij verkoop van gronden door het bureau aan de betrokken instelling in het aankoopbedrag van een terrein worden doorberekend. 4. GS kunnen bij de beschikking tot subsidieverlening besluiten dat tot een door hen vast te stellen maximumbedrag als subsidiabele kosten tevens worden aangemerkt: a. kosten van het wegwerken van het ten tijde van de verwerving aanwezige achterstallig onderhoud om de gronden te kunnen beheren; b. de met de verwerving verband houdende inrichting van terreinen; c. taxatie- en bemiddelingskosten. 5. De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten. Bij de bepaling van het subsidiebedrag wordt rekening gehouden met subsidies of bijdragen die uit andere hoofde met hetzelfde oogmerk worden verstrekt of eigen middelen van de instelling die met hetzelfde oogmerk worden aangewend, zodat het totaal niet meer dan honderd procent van de subsidiabele kosten bedraagt. 6. In afwijking van het vijfde lid, bedraagt een subsidie voor de kosten van de aankoop van natuurvriendelijke oevers voor het waterschap (als bedoeld in artikel 2) maximaal 50% van de subsidiabele kosten en voor stapstenen, die niet door particulieren of terreinbeheerders kunnen worden ontwikkeld, maximaal 100% van de subsidiabele kosten. 7. Over subsidies voor Staatsbosbeheer nemen GS een apart besluit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel