Naar hoofdinhoud
1. Voor jeugdzorg ten behoeve van een cliënt die voorafgaand aan de aanvang van de zorg niet duurzaam in de provincie Utrecht verbleef, kan, in afwijking van artikel 3 van de verordening, subsidie worden verstrekt indien: a. een desbetreffend indicatiebesluit is vastgesteld door het bureau jeugdzorg in de provincie waarin de jeugdige voorafgaand aan de jeugdzorg duurzaam verbleef, en; b. het bureau, bedoeld onder a, heeft vastgesteld dat de jeugdzorg waarop ingevolge de wet aanspraak bestaat niet binnen dertien weken na vaststelling van het indicatiebesluit gerealiseerd kan worden door een zorgaanbieder die wordt gesubsidieerd door gedeputeerde staten van de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, of; c. daarmee de zorg dichter bij de plaats kan worden geboden waar de jeugdige voorafgaand aan de jeugdzorg duurzaam verbleef, en; d. de zorgaanbieder op grond van artikel 15 van de verordening subsidie van gedeputeerde staten van Utrecht ontvangt voor het bieden van de zorgeenheid waarop de betreffende aanspraak betrekking heeft, en; e. met de in onderdeel d bedoelde subsidie niet een maximum van 10% wordt overschreden van de totale subsidie die aan de zorgaanbieder op grond van de verordening is toegekend voor het uitvoeren van zorgeenheden, waarbij de huisvestingskosten buiten beschouwing worden gelaten. 2. De zorgaanbieder, bedoeld in het eerste lid, onder d, stelt, tenzij dat al gebeurd is, het bureau jeugdzorg in de provincie Utrecht in kennis van de aanmelding, direct nadat die is ontvangen, en in ieder geval voordat de zorg start.

Rechtspraak bij dit artikel