1. Het is verboden havens of aanlegplaatsen te maken of te hebben.
2. Het is verboden met havens of aanlegplaatsen verband houdende voorzieningen, zoals toegangswegen, steigers, meerpalen, beschoeiingen, verhardingen, vlonders, vlotten, plankieren, windschermen of erfafscheidingen, te maken of te hebben.
3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover het aanleg en onderhoud van nutsvoorzieningen betreft ten behoeve van de gebruikers van een haven of aanlegplaats waarvoor een ontheffing van kracht is.
4. Gedeputeerde staten kunnen voor bepaalde plaatsen en met betrekking tot bepaalde categorieën van vaartuigen vrijstelling verlenen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 7j.