Agio en disagio op uitzettingen van gelden worden afgeschreven in een periode, gelijk aan de looptijd van de betreffende uitzettingen.
Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.
De materiële vaste activa met economisch nut, bedoeld in artikel 35 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, worden lineair afgeschreven in (overgenomen investeringen met een reeds genomen (principe)besluit op de ingangsdatum van deze verordening kunnen volgens al ingezette methodiek tot einde looptijd worden afgeschreven):
30 – 40 jaar voor bedrijfsgebouwen;
Maximaal 20 jaar voor technische installaties en inbouwpakket in bedrijfsgebouwen;
Maximaal 40 jaar voor fundering, constructie, terrein, dak en gevel van bedrijfsgebouwen;
Maximaal 30 jaar voor parkeren (dak en gevel van bedrijfsgebouwen);
Maximaal10 jaar voor losse inventaris;
Maximaal 5 jaar voor data;
10 – 25 voor waterbouwkundige werken;
3 – 5 jaar voor duurzame bedrijfsmiddelen;
3 – 5 jaar voor hard- en software;
30 – 60 jaar voor traminfra. De afschrijving wordt gestart op moment van ingebruikname;
Maximaal 30 jaar voor trammaterieel (incl.haltevoorzieningen); De afschrijving wordt gestart op moment van ingebruikname.
Maximaal 7 tot 10 jaar voor tramtelematica; De afschrijving wordt getart op moment van ingebruikname.
geen afschrijving voor grond.
Investeringen met een maatschappelijk nut als bedoeld in artikel 35 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten worden onder aftrek van bijdragen van derden en bestemmingsreserves ten laste van de exploitatie gebracht. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten voorstellen doen om hiervan af te wijken.
De afschrijvingen vinden plaats met ingang van het begrotingsjaar, volgend op het jaar waarin de investering plaatsvond. De termijnen voor investeringen tot en met 2002 blijven ongewijzigd.
Hoofdstuk
Artikel 4:10