1. De commissie is belast met de beoordeling van de kandidaten voor de functie van commissaris van de Koningin in Utrecht.
2. De commissie voert gesprekken met de door de minister geselecteerde kandidaten en eventueel andere op de lijst van sollicitanten voorkomende kandidaten, die hetzij zich eigener beweging tot de commissie hebben gewend, hetzij door de commissie worden uitgenodigd, overeenkomstig bepaling VIII, 2 van de Procedureregels bij benoeming van een Commissaris van de Koningin (circulaire Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 4 november 2005. kenmerk 2005-0000278487). Indien de commissie besluit een door de minister geselecteerde kandidaat niet te ontvangen, stelt de commissie de minister en de kandidaat schriftelijk van dit besluit op de hoogte.
3. Bij de beoordeling van de kandidaten laten de leden van de commissie zich leiden door de profielschets, zoals deze is vastgesteld door Provinciale Staten.
4. De commissie bepaalt haar standpunt over de geschiktheid van de door haar ontvangen kandidaten. Zij brengt schriftelijk verslag uit aan Provinciale Staten en aan de minister. Zij doet het verslag aan Provinciale Staten vergezeld gaan van een concept-aanbeveling van ten minste twee kandidaten, in voorkeursvolgorde, die naar haar oordeel voor de benoeming in aanmerking komen. De commissie vermeldt daarbij ten aanzien van iedere kandidaat de motieven die tot haar oordeel hebben geleid.