Gemeentelijk gebouwenbeheer is een taak die wezenlijk afwijkt van de andere begrotingsonderdelen. In de eerste plaats is bij gebouwen geen sprake van een technisch eenduidig te bepalen “einde levensduur”. In de tweede plaats gaat de beëindiging van het gebruik van een gebouw veelal gepaard met een veelheid aan afwegingen rond de herontwikkeling van de locatie, de actueel benodigde huisvestingsfunctionaliteit en eventuele alternatieven om daarin te voorzien (economische component van waardebehoud c.q. ontwikkelpotentie).
Met het oog hierop zijn de structurele budgetten voor het gebouwenbeheer gebaseerd op “eeuwigdurend onderhoud”. Deze budgetten houden onder meer een voorziening meerjarig onderhoud op peil op basis van voortschrijdende langlopende onderhoudscycli inclusief renovaties. De omvang van de voorziening in relatie tot de toekomstige verplichtingen wordt getoetst bij de opmaak van de jaarstukken. Dit kan resulteren in een eenmalige vrijval uit of aanvulling van de onderhoudsvoorziening.
Zoals hiervoor staat vermeld bij “Uitgangspunten/Spelregels Investeringsplan Maatschappelijk Vastgoed” voorziet het investeringsplan maatschappelijk vastgoed in investeringsruimte voor nieuwbouw.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.2.3.6