Naar hoofdinhoud
1. De in het eerste lid bedoelde gebruiker van grond of opstallen is het voorts toegestaan om, in afwijking van artikel 9 van de wet, de in bijlage II genoemde diersoorten te doden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. 2. De in het eerste lid bedoelde toestemming geldt slechts onder de in bijlage II aangegeven beperkingen. 3. De in het eerste lid bedoelde handelingen mogen voorts slechts worden uitgevoerd met de middelen geweer en jachtvogel als bedoeld in artikel 5 van het Besluit schadebestrijding dieren, tussen zonsopgang tot zonsondergang. 4. Uiterlijk de dag voorafgaande aan het verrichten van handelingen als bedoeld in het eerste lid meldt degene die daarvoor verantwoordelijk is dit schriftelijk of elektronisch aan gedeputeerde staten op een door hen beschikbaar te stellen formulier.

Rechtspraak bij dit artikel