Naar hoofdinhoud
1. Het verbod om aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen te maken of te hebben, bedoeld in artikel 7j, eerste en tweede lid, van de verordening, geldt niet als het een aanlegplaats betreft: a. voor een vaartuig als bedoeld in artikel 7h, vierde lid, van de verordening of in artikel 5, eerste lid, van dit besluit of; b. als bedoeld in artikel 5, tweede of derde lid, van dit besluit. 2. Een bij het eerste lid verleende vrijstelling is niet van kracht indien de afmetingen worden overschreden die door de water- of vaarwegbeheerder zijn voorgeschreven bij algemeen verbindend voorschrift. 3. Een bij het eerste lid verleende vrijstelling is niet van kracht indien het gaat om voorzieningen aan de oever behorend bij een woonschip.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel