Naar hoofdinhoud
1. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente binnen de bebouwde kom dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, als norm een gemiddelde overstromingskans van 1/100 per jaar en voor het overige gebied als norm een gemiddelde overstromingskans van 1/10 per jaar. 2. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom, als norm een gemiddelde overstromingskans van: 1/100 per jaar voor bebouwing; 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; 1/25 per jaar voor akkerbouw; 1/10 per jaar voor grasland. 3. Wat betreft het gebied, bedoeld in het tweede lid, geldt geen norm voor: een gebied dat is aangewezen op grond van artikel 10, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 of gebied dat voorlopig is aangewezen op grond van artikel 12, eerste lid, van die wet; een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 1, onder n, van de Natuurbeschermingswet 1998; een gebied voor zover niet behorend tot het onder a. of b. bedoelde gebied, dat op de plankaart, behorende bij het Streekplan Noord-Holland Zuid als natuurgebied is aangegeven en reeds is gerealiseerd; een gebied, voor zover niet behorend tot het onder a. of b. bedoelde gebied, dat op de kaart Gebieden binnen groene contouren, behorende bij het Streekplan 2005-2015 van de provincie Utrecht, als bestaande natuur is aangegeven; een gebied, voor zover niet behorend tot het onder a. of b. bedoelde gebied, dat op de plankaart behorende bij het Streekplan Zuid-Holland Oost als natuur is aangegeven en reeds is gerealiseerd. 4. Voor de toepassing van het tweede lid is wat betreft het landgebruik de situatie bepalend zoals vastgelegd in het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland versie 5 van Wageningen Universiteit en Researchcentrum. 5. Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen aangaande de toepassing van het eerste, tweede, derde en vierde lid. 6. Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, een leidraad vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren. 7. Gedeputeerde staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur het tijdstip vast waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren voor de eerste keer moeten voldoen aan de in het eerste en tweede lid opgenomen normen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel