Naar hoofdinhoud
1. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente binnen de bebouwde kom, bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing en hoofdinfrastructuur en spoorwegen als norm een gemiddelde overstromingskans van 1/100 per jaar en voor het overige gebied een gemiddelde overstromingskans van 1/10 per jaar. 2. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom, bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, als norm een gemiddelde overstromingskans van 1/50 per jaar voor gebied met glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw dat op de kaart in bijlage 2 van deze verordening is aangegeven; 1/10 per jaar voor het overige gebied gedurende de periode van 1 maart tot 1 november. 3. Wat betreft het gebied, bedoeld in het tweede lid, geldt geen norm voor gebieden die zijn aangewezen als natuurgebied en als zodanig zijn opgenomen in Kaartbijlage 1 Begrenzing van natuurgebieden, behorende bij het Natuurbeheerplan 2016 provincie Utrecht; gebieden die zijn aangewezen als natuurgebied, waarbij voor de bepaling van het landgebruik natuur gebruik gemaakt wordt van de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland dan wel van de Ecologische hoofdstructuur, zoals in de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland is vastgelegd, voor zover die begrensde gebieden bestaan uit vanouds bestaande natuur of uit reeds gerealiseerde nieuwe natuur. 4. Bij de beoordeling of een gebied voldoet aan de norm kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied overeenkomstig de percentages, genoemd in bijlage 3 van deze verordening, buiten beschouwing worden gelaten. 5. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen aangaande de toepassing van het eerste tot en met vierde lid. 6. Indien het nemen van maatregelen om aan de norm te voldoen niet doelmatig is, kunnen gedeputeerde staten op basis van een gemotiveerd verzoek van het dagelijks bestuur bepalen dat kan worden afgeweken van de in het tweede lid, onder b, gestelde norm. 7. Gedeputeerde staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur, een technische leidraad vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren. Bij deze beoordeling wordt gebruik gemaakt van de meest recente inzichten in de neerslagstatistiek. De leidraad strekt tot aanbeveling voor het dagelijks bestuur. 8. Gedeputeerde staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur het tijdstip vast waarop de inrichting van de regionale wateren voldoet aan de in het eerste en tweede lid opgenomen normen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel