Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 19. › Paragraaf 19.2.

Artikel 19.2.2.

Het bezit van een motorvoertuig en kwijtschelding particulieren (26.2.3)

Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Gemeente Bronckhorst

De waarde van een motorvoertuig (auto, motorfiets, scooter) wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van € 3.350 of minder. Onder waarde wordt verstaan de prijs die de auto- of motorhandel bereid is te betalen bij inkoop zonder gelijktijdige verkoop van een ander motorvoertuig. Voor de bepaling van de waarde van een auto wordt zoveel als mogelijk de veilingwaarde (executiewaarde) aan de hand van de koerslijst van de ANWB gehanteerd. Deze richtprijs geeft een indicatie van het bod dat de belastingschuldige kan verwachten als hij de auto aanbiedt via een (online) veiling. Uitgaande van een schadevrije auto in een goede conditie is dit een normaal bod. Voor motorfietsen bestaat geen motorfietskoerslijst met veilingwaarde, zoals dat voor auto's bestaat. De waarde van een motofiets wordt vastgesteld aan de hand van een indicatie vanuit de markt. Als de waarde meer dan € 3.350 bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op het motorvoertuig voor een financier een pandrecht is gevestigd, moet ter vaststelling van de actuele (over)waarde de financieringsschuld in mindering worden gebracht. Een passend motorvoertuig wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als de belastingschuldige aan de ontvanger aannemelijk maakt dat het motorvoertuig absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgenoot van belastingschuldige als bedoeld in artikel 3 Pw, of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel zou kunnen worden betaald. Toetsing van de onmisbaarheid voor de uitoefening van het beroep in beginsel aan de hand van een werkgeversverklaring. Toetsing van de onmisbaarheid in verband met ziekte of invaliditeit in beginsel aan de hand van een kopie van de invalidenparkeerkaart en/of een kopie van een beschikking over kilometervergoeding en/of overeenkomst met de bedrijfsvereniging en/of een verklaring van een arts (niet zijnde de huisarts of behandelend specialist). De onmisbaarheid kan ook aannemelijk worden gemaakt door het feit dat de auto niet met eigen middelen is voldaan maar is betaald/gefinancierd/geleased door de Gemeentelijke Sociale Dienst of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel