Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3:

Artikel 3.7

De beraadslagingen; spreektermijnen

Onderdeel van Commissieverordening 2025

1.. De beraadslagingen in een vergadering kunnen betrekking hebben op: een voorstel; een onderwerp waaraan geen voorstel ten grondslag ligt. 2.. De beraadslagingen hebben tot doel om de fractievertegenwoordigingen de informatie te geven die zij nodig hebben voor de beeld- en oordeelsvorming van hun raadsfractie, al dan niet ter voorbereiding op een raadsvergadering. 3.. Per agendapunt treedt één lid van de fractievertegenwoordiging op als woordvoerder. 4.. De voorzitter kan toestaan dat anderen dan commissieleden en voorstellers deelnemen aan de beraadslagingen. 5.. De beraadslagingen gebeuren in ten hoogste twee spreektermijnen. De voorzitter kan met het oog op een goede afronding van de beraadslagingen, na overleg met de raadscommissie, het aantal spreektermijnen uitbreiden. 6.. Spreektermijnen worden door de voorzitter geopend en afgesloten. De commissieleden richten zich in hun spreektermijn tot de voorzitter. 7.. Commissieleden mogen in een spreektermijn niet meer dan éénmaal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel. Bij de bepaling hoeveel malen een commissielid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde. 8.. Na afsluiting van een spreektermijn geeft de voorzitter de voorsteller de gelegenheid gestelde vragen te beantwoorden en/of zo nodig een reactie te geven op hetgeen vanuit de raadscommissie naar voren is gebracht. 9.. Naar aanleiding van voorstellen kunnen commissieleden: in een vergadering bestuurlijke vragen stellen aan de voorsteller; in de periode voor of na een vergadering technische vragen stellen aan de behandelend ambtenaar. 10.. Het is ter beoordeling aan de voorsteller of: in de vergadering gestelde vragen als bestuurlijk of technisch moeten worden aangemerkt; naast de beantwoording van de bestuurlijke vragen de technische vragen ook geheel of gedeeltelijk kunnen worden beantwoord, dan wel daarvoor verwezen moet worden naar de behandelend ambtenaar. 11.. Een voorsteller kan zich tijdens de beraadslagingen ambtelijk laten bijstaan. De voorzitter kan op verzoek van de voorsteller toestaan dat de ondersteunend ambtenaar ook vragen vanuit de raadscommissie beantwoordt. 12.. Vragen die een voorsteller in de vergadering niet kan beantwoorden worden uiterlijk in de week na de vergadering door de voorsteller schriftelijk beantwoord. Het schriftelijk antwoord wordt geadresseerd aan de raadscommissie die het aangaat. De commissiegriffier draagt er zorg voor dat de schriftelijke beantwoording: in het raadsinformatiesysteem wordt toegevoegd aan het betreffende agendapunt van de vergadering en, zo nodig, aan het agendapunt waaronder het voorstel in een volgende raadsvergadering wordt behandeld; wordt toegezonden aan alle raadsleden, lijstopvolgers en het college en zij gelijktijdig worden geïnformeerd over de onder a. vermelde toevoeging in het raadsinformatiesysteem. 13.. Na het afsluiten van de laatste spreektermijn over een voorstel, informeert de voorzitter bij de fractievertegenwoordigingen of zij: voldoende informatie hebben verkregen voor de beeld- en oordeelsvorming van hun raadsfractie; overeenkomstig artikel 3.8, lid 1, een standpunt kunnen geven over het in het voorstel vermelde raadsbesluit. 14.. Als de commissiebehandeling van een voorstel naar het oordeel van een raadscommissie nog onvoldoende informatie heeft opgeleverd, waardoor het voorstel nog niet rijp is voor raadsbehandeling, dan kan een raadscommissie besluiten de behandeling voort te zetten in een volgende vergadering, mits tijdige raadsbesluitvorming over het voorstel mogelijk blijft. Hierover overlegt de raadscommissie met de voorsteller.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel