De bijzondere bijstand alleenverdienersproblematiek kan worden verstrekt aan een huishouden dat:
een inkomen heeft uit een uitkering (niet zijnde een volledige algemene bijstandsuitkering) eventueel aangevuld vanuit de toeslagenwet en/of aangevuld met algemene bijstand en,
vergeleken met een vergelijkbaar huishouden voor wie algemene bijstand op grond van artikel 19 van de wet de enige bron van inkomsten is, minder toeslag ontvangt op grond van de Wet op de zorgtoeslag en de Wet op de huurtoeslag, vanwege de asynchroniteit van de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting zoals bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de wet ten opzichte van de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en
hierdoor in een toeslagenjaar een besteedbaar inkomen geniet dat lager ligt dan het inkomen van een vergelijkbaar huishouden met een volledige bijstandsuitkering.
Tot het huishouden wordt niet gerekend de persoon die op de datum van aanvraag:
niet woonachtig is in De Fryske Marren;
is ingeschreven in de basisregistratie personen als ingezetene met enkel een briefadres;
Bij de vaststelling van het vermogen hanteert het college de vermogensgrens van de zorgtoeslag zoals die geldt voor het kalenderjaar waarover de bijzondere bijstand alleenverdienersproblematiek wordt aangevraagd.
Het peilmoment van het vermogen is 1 januari 00:00 van het kalenderjaar waarover de bijzondere bijstand alleenverdienersproblematiek wordt aangevraagd.
De beleidsregels bijzondere bijstand De Fryske Marren zijn niet van toepassing op aanvragen voor bijzondere bijstand alleenverdienersproblematiek.
Artikel 2
Doelgroep bijzondere bijstand alleenverdienersproblematiek
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand alleenverdienersproblematiek De Fryske Marren