In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
aanwezigheidsvergunning: de vergunning zoals bedoeld in artikel 30b, eerste lid, van de wet;
bedrijfsleider: de natuurlijke persoon die algemene leiding geeft aan een speelautomatenhal alsmede de bestuurder van de rechtspersoon voor wiens rekening en risico een speelautomatenhal wordt geëxploiteerd;
beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een speelautomatenhal;
behendigheidsautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder b, van de wet;
exploitatievergunning: de vergunning tot het exploiteren van een speelautomatenhal als bedoeld in artikel 3.1;
hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de wet;
kansspelautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de wet;
laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de wet;
ondernemer: natuurlijke of rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert;
openbare weg: alle voor het openbare rij- en ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot die wegen of paden behorende bermen en zijkanten en de aan de wegen of paden liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
speelautomaat: toestel als bedoeld in artikel 30, onder a, van de wet;
Speelautomatenbesluit: Speelautomatenbesluit 2000;
speelautomatenhal: een inrichting als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b, van de wet;
de wet: de Wet op de kansspelen;
Wet Bibob: Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;
zeggenschap: beslissingsbevoegdheid binnen een onderneming (vanwege de positie als bijvoorbeeld aandeelhouder of bestuurder).