Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.9

Intrekkingsgronden

Onderdeel van Verordening speelautomaten Gouda 2025

De burgemeester kan, behoudens de in Titel VA van de wet genoemde gronden, de aanwezigheids- en exploitatievergunningen intrekken: indien blijkt dat de vergunningen ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave zijn verleend; indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunningen zijn afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 3.5 eerste lid, onder f; indien gehandeld wordt in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen; indien de exploitatie van een speelautomatenhal door een besluit van de ondernemer voor een periode van langer dan zes maanden wordt onderbroken dan wel de exploitatie niet wordt gevoerd; indien de zeggenschap in de onderneming wijzigt; indien naar het oordeel van de burgemeester aannemelijk is, dat de ondernemer of de beheerder betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de speelautomatenhal dan wel indien de exploitatie van de speelautomatenhal omstandigheden oplevert, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de speelautomatenhal; indien de ondernemer of beheerder van de speelautomatenhal strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd; indien zich anderszins in de hal feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat geopend blijven van de speelautomatenhal ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde; indien niet of niet meer wordt voldaan aan de KEMA-criteria en de erkenningsvoorwaarden van de VAN Kansspelen-brancheorganisatie; is gehandeld in strijd met de in het ondernemingsplan beschreven maatregelen;

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel