** 1. .** Een houder van een vergunning als bedoeld in artikel 2.4.1 meldt zich voor aanvang van de activiteit waarvoor de vergunning is verleend met het vergunde vaartuig of object op een door het college aangewezen locatie en geeft bij die melding de gelegenheid het vaartuig of object te inspecteren.
** 2. .** Na de melding en inspectie ontvangt de vergunninghouder een meldingsbewijs met een uniek nummer.
** 3. .** Een vergunninghouder draagt er zorg voor dat het meldingsbewijs van de buitenzijde zichtbaar is op het vaartuig of object zolang de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend, worden uitgevoerd.
** 4. .** Een vergunning vervalt van rechtswege indien de melding bedoeld in het eerste lid niet binnen een door het college vastgestelde termijn is gedaan of indien de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend niet binnen een door het college vast te stellen termijn zijn gestart.
** 5. .** Het college kan op aanvraag de termijn, bedoeld in het vierde lid, met ten hoogste door het college te bepalen termijn verlengen.
** 6. .** Een aanvraag als bedoeld in het vijfde lid wordt ten minste zes weken voor het verstrijken van de termijn, bedoeld in het vierde lid, ingediend en het college beslist binnen vier weken na ontvangst van een aanvraag.
** 7. .** Het eerste lid is niet van toepassing op een vaartuig waarvoor op het moment van inwerkingtreding van de vergunning reeds een vergunning is verleend. In dat geval is het derde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder meldingsbewijs tevens een voor een eerder verleende vergunning verleend vergunningbewijs kan worden verstaan.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 2.4.6
Melding voor gebruik vergunning
Onderdeel van Verordening op het binnenwater 2010