Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 1.1.1

Begripsbepalingen

Onderdeel van Verordening op het binnenwater 2010

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: binnenschip: een schip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor interlokaal dan wel internationaal bedrijfsmatig vervoer van goederen te water waarop de Wet vervoer binnenvaart van toepassing is; binnenwater: al het openbare water dat niet tot de haven behoort; BPR: Binnenvaartpolitiereglement; College: College van Burgemeester en Wethouders; haven: het IJ, het Buiten IJ, het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal en alle daarop uitkomende wateren tot de begrenzing zoals weergegeven op de kaart behorende bij deze Verordening (bijlage 1); havengebied: de haven en de direct daaraan gelegen bedrijfsterreinen, alsmede de kades en (afmeer)voorzieningen ten behoeve van de scheepvaart; kapitein: degene die de feitelijke leiding over een zeeschip voert; openbaar water: alle wateren die al of niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn; primaire vaarwegen: de als zodanig in het Structuurplan Amsterdam aangewezen (vaargeulen van) vaarwegen, te weten het Noordhollandsch Kanaal, het IJ, Noordzeekanaal, Zijkanaal G, Nieuwe Meer/Schinkel/Kostverlorenvaart, Oosterdok/Nieuwe Herengracht/Amstel, Weespertrekvaart en Amsterdam Rijnkanaal; SVW: Scheepvaartverkeerswet; schip: elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water; onder schip wordt mede verstaan drijvende werktuigen, zoals kranen, werkeilanden, een drijvende kraan, baggermolens, pontons of materieel van soortgelijke aard; schipper: degene die de feitelijke leiding over een binnenschip voert.

Rechtspraak bij dit artikel