In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
binnenschip: een schip niet zijnde een zeeschip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor interlokaal dan wel internationaal bedrijfsmatig vervoer van goederen te water;
binnenwater: al het openbare water dat niet tot de haven behoort;
BPR: Binnenvaartpolitiereglement;
college: college van Burgemeester en Wethouders;
haven: alle wateren binnen het Noordzeekanaalgebied die voor de scheepsvaart openstaan, alsmede alle tot de haven behorende kunstwerken en de scheepshellingen, dokken, scheepreparatiewerven en los- en laadplaatsen, een en ander zoals aangegeven op het bij deze verordening behorend kaartmateriaal (bijlage 1);
kapitein: degene die de feitelijke leiding over een zeeschip voert;
openbaar water: alle wateren die al of niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn;
primaire vaarwegen: het Noordhollandsch Kanaal, het IJ, het Noordzeekanaal, het Zijkanaal G, de Nieuwe Meer/Schinkel/Kostverlorenvaart, het Oosterdok/de Nieuwe Herengracht/de Amstel, de Weespertrekvaart en het Amsterdam Rijnkanaal;
SVW: Scheepvaartverkeerswet;
schip: elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van vervoer te water; onder schip wordt mede verstaan drijvende werktuigen, zoals kranen, werkeilanden, een drijvende kraan, baggermolens, pontons of materieel van soortgelijke aard;
schipper: degene die de feitelijke leiding over een binnenschip voert.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 1.1.1