De Omgevingswet vereenvoudigt het stelsel van wetgeving voor de ontwikkeling en het beheer van de leefomgeving, door tientallen wetten en honderden regels te bundelen in één nieuwe wet. De wet gaat over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving en bevat regels over de ruimtelijke ordening, infrastructuur, bouwen, monumenten, milieu, natuur en brandveiligheid. Met het vernieuwen van het omgevingsrecht wil de wetgever vier verbeteringen bereiken: het vergroten van de inzichtelijkheid, het centraal stellen van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en snellere besluitvorming.
De Omgevingswet brengt ingrijpende veranderingen met zich mee, wat aanpassingen vereist in organisatiestructuren en werkprocessen. De wet legt vooral nadruk op de houding en werkwijze, en minder op de invoering van juridisch-planologische instrumenten. Het beleid richt zich op deregulering en het hanteren van doelvoorschriften. Deze grotere vrijheid vraagt echter ook om meer maatwerk en overleg, wat meer tijd kan kosten.