Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4: › § 4.

Artikel 4.4

Criteria voor toekenning van een individuele voorziening en algemene weigeringsgronden

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp gemeente Breda 2025

1.. Een jeugdige of ouder komt in aanmerking voor een individuele voorziening als het college, met toepassing van de in of op grond van deze verordening gestelde regels, van oordeel is dat de jeugdige of zijn ouders jeugdhulp nodig hebben en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. 2.. Een jeugdige of zijn ouders komen in ieder geval niet voor een individuele voorziening in aanmerking indien of voor zover: Niet wordt voldaan aan de toekenningscriteria uit lid 1; Er geen sprake is van een individuele voorziening als bedoeld in artikel 2.2 of 2.3 van deze verordening; Er gebruik kan worden gemaakt van een overige voorziening als bedoeld in artikel 2.1 van deze verordening die passend en toereikend is voor de hulpvraag; Er een voorliggende voorziening bestaat waarop door de jeugdige of zijn ouders een beroep kan worden gedaan. Er is sprake van een voorliggende voorziening als er voor de problematiek een recht op zorg of een aanspraak op een voorziening bestaat op grond van een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet of op grond van een andere wet dan de Jeugdwet. Aanspraken op zorg of voorzieningen op grond van in ieder geval de volgende wetten zijn in beginsel voorliggend op de Jeugdwet: Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen; Wet langdurige zorg; Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Wet op het passend onderwijs; Wet publieke gezondheid; Participatiewet. De inhoud of omvang van de in te zetten jeugdhulp niet voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 2 van het Besluit zorgverzekering. Deze voorwaarde geldt voor jeugdhulp die vanaf de leeftijd van achttien jaar wordt aangemerkt als een vorm van zorg of dienst als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 van het Besluit zorgverzekering (jeugd-ggz). De inhoud of omvang van de in te zetten jeugdhulp van onvoldoende toegevoegde waarde is om de jeugdige voldoende in staat te stellen gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Deze voorwaarde geldt voor alle vormen van jeugdhulp die niet onder sub e vallen. De in te zetten jeugdhulp is van toegevoegde waarde als deze wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er, voor zover beschikbaar, wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie. Er is in ieder geval sprake van onvoldoende toegevoegde waarde als er wordt gewerkt met een bewezen niet effectieve interventie. Een interventie wordt in ieder geval bewezen effectief geacht als deze is erkend in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut, het Loket Gezond Leven van het RIVM of de Databank Effectieve sociale interventies van MOVISIE. Als een interventie niet in een van deze databanken is erkend dan heeft het college de mogelijkheid om, al dan niet op verzoek van een aanbieder, een deskundige te vragen een advies uit te brengen over de (mogelijke) effectiviteit of toegevoegde waarde van de interventie. Op basis van dat advies kan alsnog tot de conclusie worden gekomen dat een interventie voldoende toegevoegde waarde heeft. Een interventie wordt geacht niet bewezen effectief te zijn als deze als ‘niet erkend’ is opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut. Er voor dezelfde hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders eerder eenzelfde of vergelijkbare individuele voorziening is verstrekt en niet is aangetoond dat het verstrekken van eenzelfde of een vergelijkbare individuele voorziening (nog steeds) noodzakelijk is ondanks de reeds ingezette jeugdhulp. Er, zonder goede reden, door de jeugdige of zijn ouders niet is meegewerkt aan een evaluatie als bedoeld in artikel 4.7 van deze verordening. Er door de jeugdige of zijn ouders zonder goede reden, niet wordt voldaan aan de medewerkingsplicht uit artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en als gevolg daarvan de noodzaak of de aard en omvang van de jeugdhulp niet kan worden vastgesteld. De jeugdhulp zal worden verleend buiten Nederland, tenzij het college van oordeel is dat het inzetten van ondersteuning buiten Nederland een bijzondere bijdrage levert aan het behalen van het beoogde resultaat. Jeugdhulp buiten Nederland kan bovendien alleen worden verleend door een derde als deze werkt als onderaannemer van een door de gemeente gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder. 3.. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening die passend is voor de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders. 4.. Als de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouder voorafgaand aan de aanvraag hebben gemaakt dan worden deze kosten niet vergoed. In spoedeisende gevallen kan het college besluiten dat deze kosten toch geheel of gedeeltelijk worden vergoed. 5.. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel