Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.1.

Artikel 3.1.4.

Intrekkingsgronden

Onderdeel van Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025

1.. Het college van burgemeester en wethouders kan een urgentieverklaring intrekken als: de houder van de urgentieverklaring om intrekking daarvan verzoekt; het huisvestingsprobleem dat ten tijde van verlening van de urgentieverklaring bestond, niet meer bestaat; het inkomen van het huishouden boven de inkomensgrens ligt; sprake is van één of meer van de in artikel 3.1.3, tweede lid, genoemde omstandigheden; de houder van de urgentieverklaring niet meer voldoet aan de urgentiecriteria; of de houder van de urgentieverklaring bij het verzoek om indeling in een urgentiecategorie onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en, indien wel juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de urgentieverklaring was geweigerd. 2.. Het college van burgemeester en wethouders kan voorts een urgentieverklaring intrekken indien sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: tijdens de eerste fase van de urgentie heeft de houder van de urgentieverklaring nagelaten via het aanbodinstrumenten een reactie te geven op tenminste 24 verschillende, via het aanbodinstrument aangeboden, woonruimten die voldoen aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype en die gelegen zijn in de in de urgentieverklaring genoemde voorkeursurgentieregio; tijdens de tweede fase van de urgentie heeft de houder van de urgentieverklaring nagelaten via het aanbodinstrument tenminste eenmaal per week een reactie te geven op woonruimten die voldoen aan het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel en gelegen zijn in de op de urgentieverklaring vermelde voorkeursurgentieregio; de houder van de urgentieverklaring heeft passende woonruimte geweigerd; de houder van de urgentieverklaring een via een eigen reactie aangeboden woonruimte, welke tenminste voldeed aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype, heeft afgewezen; de houder van de urgentieverklaring verhuist naar een zelfstandige woonruimte, tenzij de houder van de urgentieverklaring binnen dertig dagen na de verhuizing verzoekt om het voort laten duren van de urgentieverklaring en daarbij onderbouwd aantoont dat het huisvestingsprobleem in verband waarmee de urgentieverklaring was afgegeven, niet is opgelost; de houder van de urgentieverklaring aan hem aangeboden woonruimte misloopt omdat hij de gegevens en bescheiden die hij moet aanleveren voor het sluiten van de huurovereenkomst, niet binnen de door de corporatie aangegeven termijn of voor het door de corporatie aangegeven tijdstip aanlevert; of de houder van de urgentieverklaring komt één of meer van de op grond van artikel 3.3.2 op hem rustende verplichtingen of een aan de urgentieverklaring verbonden voorwaarde of verplichting niet na. 3.. Het vorige lid, onder a en b, is niet van toepassing op een urgentieverklaring verleend voor indeling in de in artikel 3.4.7 bedoelde urgentiecategorie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel