Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de verboden als bedoeld in artikel 8, of 21 eerste lid onderdeel a., of 22 eerste lid, of 24 van de wet, of bij handelen in strijd met de voorwaarden, voorschriften en/of beperkingen voor het verkrijgen van een vrijstelling, als bedoeld in artikel 21 tweede lid, van de wet.
Indien burgemeester en wethouders gebruikmaken van deze bevoegdheid leggen zij een boete op:
voor overtredingen in de zin van artikel 8 van de wet overeenkomstig tabel 1 in bijlage 2;
voor overtredingen in de zin van artikel 21 eerste lid onderdeel a van de wet, of artikel 22 eerste lid, of handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 24 van de wet overeenkomstig tabel 2 in bijlage 2;
voor handelen in strijd met de voorwaarden, voorschriften en/of beperkingen voor het verkrijgen van een vrijstelling, als bedoeld in artikel 21 tweede lid, van de wet overeenkomstig tabel 2 in bijlage 2.
De bedragen in bijlage 2 als bedoeld in het tweede lid worden geïndexeerd overeenkomstig de boetemaxima uit artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht. Voor boetebedragen onder een maximum geldt dat deze relatief worden geïndexeerd overeenkomstig de boetemaxima als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.
HOOFDSTUK 4 › Paragraaf 4.2
Artikel 4.2.1
Bestuurlijke boete
Onderdeel van Huisvestingsverordening Uithoorn 2025