Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.

Artikel 2.2

Beleidsregels en Richtlijnen

Onderdeel van BOPA-beleid gemeente Krimpenerwaard 2025

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen in aanmerking: 2.2.1 Bijbehorende bouwwerken (Bijlage II Bor, artikel 4, eerste lid) Lid Bepaling Bor Aanvullende voorwaarden Bor Gemeentelijke richtlijnen en voorwaarden 1. Een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, gelegen binnen de bebouwde kom. Richtlijn is dat er geen grotere oppervlakten in het achtererfgebied worden gebouwd, dan wat er vergunningsvrij mogelijk is. Voor een losstaand bijbehorend bouwwerk geldt als richtlijn dat deze aansluit bij de goot- en nokhoogte genoemd in het bestemmingsplan. Afwijken van deze hoogte kan overwogen worden indien: Ruimtelijk gezien passend Aansluiting bij dakhelling van het hoofdgebouw Voor een aangebouwd bijbehorend bouwwerk zijn de volgende richtlijnen van toepassing: Maximaal 50 procent van de oppervlakte van het achtererfgebied; Maximale diepte is 4 meter ten opzichte van het oorspronkelijke hoofdgebouw; De goothoogte is gelijk of lager dan de bestaande goothoogte van het hoofdgebouw; De bouwhoogte sluit aan bij de hoogte van het bestaande hoofdgebouw; Bij verlenging van het hoofdgebouw moet de dakhelling gelijk zijn aan het bestaande hoofdgebouw. Wanneer het bestemmingsplan onbedoeld vergunningvrij bouwen in het achtererfgebied uitsluit, bijvoorbeeld als de bestemming niet overeenkomt met het al sinds jaar en dag aanwezige legale gebruik, dan kan gebruik worden gemaakt van de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid. In dat geval mogen de maximale maten die van toepassing zijn op vergunningvrij bouwen niet worden overschreden. In het voorerfgebied, voor zover geen andere legale bebouwing aanwezig, is de richtlijn dat bijbehorende bouwwerken niet toegestaan zijn. Toepassing van een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid is toegestaan voor erkers tot een diepte van maximaal 1,50 meter, een breedte van maximaal 2/3 van de breedte van de oorspronkelijke voorgevel (tot een maximum breedte van 3,50 meter) en een hoogte van maximaal 0,30 meter boven de eerste verdiepingsvloer. De afstand van de erker tot het openbaar gebied moet minimaal 2,00 meter bedragen. In het voorerfgebied, indien reeds legale bebouwing aanwezig is op het betreffende perceel of in de directe nabijheid, waarbij sprake is van een vergelijkbare situatie volgt een beoordeling op basis van de algemene afwegingscriteria. Zijerfgebied Voor een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij woningen en woongebouwen is toepassing van een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid toegestaan als deze ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. De volgende richtlijnen zijn hierbij van toepassing: De zijgevel van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk ligt minimaal 1 meter uit de zijdelingse perceelsgrens wanneer deze grenst aan openbaar toegankelijk gebied. In het geval dat het perceel grenst aan een waterpartij of -gang ligt de zijgevel 1,5 meter uit de rand van het water. De voorgevel van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk ligt minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn van het oorspronkelijke hoofdgebouw. De voorgevelbreedte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is maximaal 60% van de breedte van de oorspronkelijke voorgevel van het hoofdgebouw en is in ieder geval niet breder dan 4 meter. De bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk met alleen een platte afdekking bedraagt maximaal 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw en is in ieder geval niet hoger dan de goothoogte van het hoofdgebouw. De goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk met een kap bedraagt maximaal 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw en is in ieder geval niet hoger dan de goothoogte van het hoofdgebouw. De bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk met een kap is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. De dakvorm en dakhelling van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk moeten gelijk zijn aan die van het hoofdgebouw. De richtlijn is dat een dakkapel is niet toegestaan. Bij toepassing van deze bevoegdheid wordt alleen gekeken naar de afwijking. De voorwaarden die op grond van het bestemmingsplan al geregeld worden en niet strijdig zijn, worden buiten beschouwing gelaten (bestemmingsplan is leidend). 2. Een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, gelegen buiten de bebouwde kom, mits Niet hoger dan 5 meter, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf; De oppervlakte niet meer dan 150 m2 per achtererfgebied. 2.2.2 Gebouw ten behoeve van infrastructurele voorziening (Bijlage II Bor, artikel 4, tweede lid) 2. Een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2 lid 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat lid genoemde eisen, mits voldaan wordt aan: Niet hoger dan 5 meter; Maximale oppervlakte van 50m2 Geen nadere voorwaarden. 2.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of een gedeelte daarvan (Bijlage II Bor, artikel 4, derde lid) 3. Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: Niet hoger dan 10 meter; Maximale oppervlakte van 50m2. Erf- of perceelafscheidingen Richtlijn hekwerken: medewerking wordt verleend aan een grotere hoogte dan 2 meter als dit uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is. Richtlijn erfafscheidingen: grenzend aan het openbaar gebied, voor zover gelegen 1 meter achter de voorgevellijn, zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 2 meter als deze van het openbaar gebied wordt afgescheiden met een groenstrook met een breedte van ten minste 1,00 meter. Wanneer de erfafscheiding direct aan het openbaar gebied grenst, dan is een erfafscheiding tot 2 meter toegestaan als deze vanaf 1 meter hoogte een transparante uitstraling heeft (een transparant hekwerk met begroeiing). Vlaggenmasten Richtlijn Maximale hoogte 8 meter; 4 per woning/ bedrijfslocatie. Constructies/aluminium frames met reclame-uitingen Toegestaan op bedrijfs- en kantoorbestemmingen, alsmede op gronden met maatschappelijke doeleinden (culturele, educatieve, sociale, medische, levensbeschouwelijke en/of maatschappelijke doeleinden) met als richtlijn: Maximaal hoogte 4 meter; Maximale lengte 6 meter 2.2.4 Dakkapellen, dakopbouwen of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw (Bijlage II Bor, artikel 4, vierde lid) 4. Dakkapellen, dakopbouwen of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw Dakkapellen Als richtlijn dient gehanteerd te worden: Aan de plaatsing van een dakkapel wordt medewerking verleend mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Bij meerdere dakkapellen op een dakvlak of op meerdere aaneengesloten dakvlakken zijn de dakkapellen regelmatig gerangschikt op horizontale lijn, dus niet boven elkaar; Bij een individueel hoofdgebouw is een dakkapel gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding gevel; De onderzijde van een dakkapel is meer dan 0,5 meter en minder dan 1,0 meter boven de dakvoet; De bovenzijde van een dakkapel is meer dan 0,8 meter onder de daknok, zowel aan de voor- als achterzijde; Op een mansardedak is een dakkapel alleen toegestaan in het onderste deel van het dakvlak, met de bovenkant gelijnd aan de knik in het dakvlak. Op het voordakvlak geldt in afwijking van het vorenstaande: Niet meer dan een dakkapel per hoofdgebouw; De zijkanten van een dakkapel zijn meer dan 1,00 meter uit het hart van de woningscheidende bouwmuur of vanaf de buitenzijde van de zijgevel. Bij twee-onder-een-kapwoningen is ook een gecentreerde dakkapel op het gezamenlijke dakvlak mogelijk; De hoogte van een dakkapel is maximaal 1,50 meter gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot de bovenzijde van het boeiboord of de daktrim; de breedte van de dakkapellen samen is maximaal 2/3 van de breedte van het dakvlak gemeten tussen het hart van de woningscheidende bouwmuren of buitenzijde van de gevels met een maximum van 3,50 meter. Op het zijdakvlak geldt in afwijking van het vorenstaande: De zijkanten van een dakkapel zijn meer dan 0,80 meter uit het hart van de scheidende bouwmuur of vanaf de buitenzijde van de gevel; De hoogte van een dakkapel is maximaal 1,75 meter gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot de bovenzijde van het boeiboord of de daktrim; De breedte van de dakkapellen samen is maximaal 2/3 van de breedte van het dakvlak gemeten tussen het hart van de woningscheidende bouwmuren of de buitenzijde van de gevels. Op het achterdakvlak geldt in afwijking van het vorenstaande: De zijkanten van een dakkapel zijn meer dan 0,80 meter uit het hart van de scheidende bouwmuur of vanaf de buitenzijde van de gevel; De hoogte van een dakkapel is maximaal 1,75 meter gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot de bovenzijde van het boeiboord of de daktrim; Bij een tussengebouw over de volledige breedte van het dakvlak mogelijk, mits de plaatsing en maatvoering aansluiten op de al aanwezige dakkappelen. Dakopbouwen Aan een dakopbouw aan het hoofdgebouw kan medewerking worden verleend. Hierbij zijn de volgende richtlijnen van toepassing: De hoofdvorm van de woning herkenbaar blijft; Indien gelegen in het zij-erf, dient deze ondergeschikt te zijn en dezelfde dakhelling van de hoofdwoning te hebben; In het achtererf kan een dakopbouw alleen gerealiseerd worden op de vergunningsvrije aanbouw. Voor een dakopbouw op hoofdgebouw geldt de richtlijn dat medewerking verleend kan worden. 2.2.5 Antenne-installaties (Bijlage II Bor, artikel 4, vijfde lid) 5. Een antenne-installatie, mits Maximale hoogte 40 meter; Wanneer er argumenten zijn om wél medewerking te verlenen, bijvoorbeeld om het optimale dekkingsniveau van de kernen te kunnen garanderen of om ‘blind-spots’ (alsnog) te voorzien van optimale mobiele dekking, dat wordt op basis van maatwerk beoordeeld. Bij de belangenafweging worden bij de Beoordeling van de geschiktheid van de locatie alle relevante omgevingsfactoren betrokken. (Zie algemene afwegingscriteria) Richtlijn is dat solitaire masten met een antenne-installatie niet worden toegestaan. 2.2.6 Installaties bij glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling (Bijlage II Bor, artikel 4, zesde lid) 6. Een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998 Geen nadere voorwaarden. 2.2.7 Installaties bij agrarische bedrijven voor duurzame energie (Bijlage II Bor, artikel 4, zevende lid) 7. Installaties bij agrarische bedrijven Waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen. In het kader van de Gebiedsovereenkomst Veenweiden worden innovaties bij agrarische bedrijven gestimuleerd Nadere voorwaarden: Positief advies van de agrarische beoordelingscommissie; Positief advies van de Omgevingsdienst Midden-Holland; Richtlijn: Maximale bouwhoogte 15 meter. 2.2.8 Gebruik van gronden voor niet-ingrijpende herinrichting openbaar gebied (Bijlage II Bor, artikel 4, achtste lid) 8. Het gebruiken van gronden voor een niet ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied. Geen nadere voorwaarden. 2.2.9 Gebruik van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten (Bijlage II Bor, artikel 4, negende lid) 9. Het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen. - Niet worden toegestaan: Wijziging van het gebruik ten behoeve van een prostitutiebedrijf, seksinrichting, escortbedrijf en/of sekswinkel; Vestiging van nieuwe horecagelegenheden buiten de kernwinkelgebieden; Vestiging van nieuwe detailhandelsvestigingen buiten de kernwinkelgebieden. Aanvullende aandachtspunten op de algemene afwegingscriteria: Mer-beoordelingsplicht; kolom 1 Besluit mer; Wet geluidhinder, artikel 76a en 110c (o.a. Besluit hogere waarden); Ladder voor duurzame verstedelijking; Provinciaal beleid; 2.2.10 Gebruik recreatiewoning voor bewoning (Bijlage II Bor, artikel 4, tiende lid) 10. Het gebruiken van een recreatiewoningvoor bewoning, De recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen; De bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet Milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden; De bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en De bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was; Richtlijn is dat aan hetpermanent bewonen vanrecreatiewoningen geenmedewerking wordtverleend. 2.2.11 Tijdelijk ander gebruik van gronden of bouwwerken (Bijlage II Bor, artikel 4, elfde lid) 11. Ander gebruik van gronden of bouwwerken danbedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10 vanBijlage II, artikel 4 Bor, voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Met de initiatiefnemer dient een overeenkomst gesloten te worden waarin duidelijke afspraken worden gemaakt over het tijdstip van beëindiging van de tijdelijke afwijking.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel