Artikel 44 BBV geeft expliciet aan in welke gevallen een voorziening moet worden gevormd. Er zijn 3 gevallen van verplichte vorming van een voorziening, wanneer:
Er sprake is van een zekere verplichting of verlies, waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, maar wel redelijkerwijs in te schatten (artikel 44, lid 1a);
Er op de balansdatum risico’s zijn met betrekking tot bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen, waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten (bijvoorbeeld een claim) (artikel 44, lid 1b).
Indien in bovenstaande gevallen de omvang redelijkerwijs niet valt in te schatten komen deze in aanmerking voor vermelding in de paragraaf weerstandsvermogen (onderdeel inventarisatie risico’s) van de programmabegroting. In dat geval wordt er geen voorziening gevormd.
Het derde geval van verplichte vorming betreft:
Nog niet bestede van derden verkregen middelen, waarop een specifieke bestedingsrichting rust, met uitzondering van voorschotbedragen zoals bedoeld onder artikel 49 BBV, lid b1. Het gaat dan om het ultimo jaar niet bestede deel van bijdragen van derden met een specifieke Bestedingsrichting waarvoor geen terugbetalingsverplichting bestaat, maar dus wel een ‘prestatieverplichting’. Een voorbeeld is de spaarcomponent voor toekomstige vervangingsinvesteringen dat in het rioolrecht mag worden meegenomen op grond van artikel 229b, lid 2a GW ( Gemeentewet).
Een voorziening wordt gevormd wanneer er sprake is van onzekerheid. Wanneer de hoogte van een verlies of verplichting zeker is, wordt deze als verplichting op de balans opgenomen. Voor de gevolgen van toekomstige gebeurtenissen die niet in causale relatie staan tot de bedrijfsvoering in de periode voorafgaand aan de balansdatum, kunnen geen voorzieningen worden gevormd.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.2
Verplicht vormen van een voorziening
Onderdeel van Nota Reserves en Voorzieningen 2025 Inclusief rentebeleid Waadhoeke