Duurzame gebruiksgoederen
Omschrijving kosten
De kosten van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten. Voorbeelden hiervan zijn: wasmachine, koelkast, huisraad en vloerbedekking.
De algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan dienen in beginsel te worden bestreden uit de eigen middelen (bijstandsuitkering en vermogen). Dit geldt ook voor de aanschaf, vervanging of reparatie van noodzakelijke gebruiksgoederen met een duurzaam karakter.
Inrichtingskosten
Bij de beoordeling van een aanvraag om bijstand in de kosten van woninginrichting dient in de eerste plaats de vraag beantwoord te worden of de verhuizing en (her)inrichting noodzakelijk is. Is de verhuizing niet noodzakelijk dan moet de bijstandsaanvraag reeds om die reden worden afgewezen. De noodzaak van de verhuizing kan worden aangenomen wanneer daaraan een medische of sociale indicatie ten grondslag ligt. In de tweede plaats dient te worden beoordeeld of de verhuizing onvoorzienbaar is geweest en of de mogelijkheid heeft bestaan om hiervoor middelen te reserveren. Kosten van een voorzienbare verhuizing en inrichting moeten namelijk voldaan worden uit het ter beschikking staande inkomen, door reservering vooraf of door gespreide betaling achteraf.
Aangezien financiering d.m.v. een lening bij duurzame gebruiksgoederen en verhuis- en inrichtingskosten zeer gebruikelijk is, zal de bijstandsverlening een aanvullende rol moeten blijven spelen, ook al is er sprake van door bijzondere omstandigheden veroorzaakte extra noodzakelijke uitgaven. Als er een voorliggende voorziening is, dient hiervan gebruik gemaakt te worden.
Wanneer er dus sprake is van een niet-voorzienbare verhuizing en/of inrichting door bijzondere omstandigheden ontbroken heeft kan bijzondere bijstand in deze kosten worden verstrekt.
Jonggehuwden en alleenstaanden worden geacht de kosten van de eerste woninginrichting zelf te dragen. Deze kosten zijn immers voorzienbaar.
Onderzoek bij aanvraag om bijstand
Bij verzoeken om bijstand voor de kosten van woninginrichting in verband met een (noodzakelijke) verhuizing dient te worden onderzocht:
of de verhuizing (en inrichting) noodzakelijk is;
in hoeverre de woninginrichting noodzakelijk is (de hoogte van het benodigde bedrag);
de voorzienbaarheid van de verhuizing;
de reserveringsmogelijkheden;
het betoonde besef van verantwoordelijkheid voor de eigen bestaansvoorziening;
of er sprake is van 'eerste woninginrichting'.
Voorliggende voorzieningen
Dit betekent dat men doorgaans zelf in die kosten moet voorzien, aangezien men geacht wordt voor dergelijke kosten te reserveren of een betalingsregeling te treffen. Gespreide betaling achteraf dient in principe plaats te vinden via een lening bij de bank.
Doorverwijzing naar de Kredietbank Nederland voor een lening is niet langer noodzakelijk. De stap van (duur) lenen kan worden overgeslagen en de mogelijkheid van leenbijstand kan direct worden bekeken. Aanvragen waarbij suppletie moet worden toegekend zullen dus ook niet meer voor kunnen komen.
Borgstelling voor een schuldsaneringskrediet in het kader van een traject schuldhulpverlening kan ook niet meer voorkomen.
Als iemand een aanvraag indient voor niet-bijzonder noodzakelijke kosten, dan kan van bijstand uiteraard geen sprake zijn en kan een aanvrager eventueel zelf beslissen om alsnog naar de Kredietbank Nederland te stappen.
Voor medisch geïndiceerde kosten met betrekking tot woningaanpassing geldt de WMO als voorliggende voorziening. Dit geldt eveneens voor verhuis- en inrichtingskosten. Hier gelden geen vaste bedragen (meer). Er wordt een maatwerkvoorziening verstrekt. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de noodzaak van de voorziening en naar de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner (kan hij dit in zijn eigen netwerk organiseren).
Draagkracht en vermogen
Heeft betrokkene een banksaldo (lopende rekeningen en spaarrekeningen opgeteld) dat hoger is dan de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm*, dan moet dit surplus aangewend worden voor de inrichtingskosten.
*Omdat bij een achterafbetaling van de uitkering, het inkomen van de voorafgaande maand bestemd is voor het levensonderhoud van de lopende maand.
Geldlening voor duurzame gebruiksgoederen
Indien de kosten/uitgaven niet voorzienbaar zijn geweest en de mogelijkheden om te reserveren door bijzondere omstandigheden niet aanwezig waren en zoals gezegd de mogelijkheid van een lening eveneens ontbreekt, kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening.
Onderscheid duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten
Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de kosten voor duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten. Met overige inrichtingskosten worden de kosten van inrichting bedoeld die niet zien op duurzame gebruiksgoederen, zoals verf, behang en vloerbedekking. Het onderscheid is van belang voor de vorm waarin de bijzondere bijstand kan worden verstrekt.
Onderzoek bij geldlening
Bij verzoeken om een geldlening moet worden onderzocht:
of de aanschaf van het goed noodzakelijk is;
de hoogte van het benodigde bedrag;
de voorzienbaarheid van de uitgave;
de reserveringsmogelijkheden;
het betoonde besef van verantwoordelijkheid voor de eigen bestaansvoorziening.
Vorm bijstand
Bijstandsverlening voor duurzame gebruiksgoederen (met uitzondering van de hierboven genoemde overige inrichtingskosten) geschiedt praktisch altijd in de vorm van een geldlening (art. 51 PW). Slechts in uitzonderlijke situaties kan bijstand om niet worden verstrekt.
Hoogte bijzondere bijstand
Na bepaling van de noodzaak moet de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand worden bepaald. Dit kan aan de hand van de richtprijzen zoals die zijn vermeld in de NIBUD-Prijzengids. De bijstand bedraagt maximaal 50% van de bedragen die hier worden genoemd omdat belanghebbende geacht wordt sommige gebruiksgoederen tweedehands aan te kunnen schaffen.
Wij hanteren aparte uitgangspunten voor de categorie “eerste huisvesting statushouders”. Zie de hieronder genoemde alinea.
Geldlening en beschikking
Wordt bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt dan dienen in de toekenningsbeschikking, naast de bestemming en de hoogte van het bedrag van de lening, de volgende punten te worden vermeld:
maandelijkse termijnen voor de terugbetaling;
ingangsdatum van de eerste aflossing;
wijze van terugbetaling (in veel gevallen middels inhouding op de bijstandsuitkering);
de voorwaarden waaronder het aflossingsbedrag kan wijzigen;
de voorwaarden waaronder de lening in zijn geheel opeisbaar zal zijn.
Looptijd geldlening
De looptijd van de geldlening is in beginsel 36 maanden. In de situatie dat men heeft nagelaten geheel of gedeeltelijk te reserveren of een niet-noodzakelijke lening heeft afgesloten, kan, afhankelijk van de mate van het ongenoegzaam betoond besef van verantwoordelijkheid, de aflossingstermijn op maximaal 60 maanden worden gesteld. Na drie of in laatstgenoemd geval vijf jaar regelmatige en volledige aflossing wordt het restant van de lening buiten invordering gesteld. Hierbij dient te worden opgemerkt dat achterstallige termijnen eerst moeten worden afgelost, voordat tot buiten invorderingstelling wordt overgegaan.
Aflossing
De hoogte van de aflossingsbedragen wordt voor personen met een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm (ongeacht de samenstelling van dit inkomen) met ingang van 1 januari 2021 vastgesteld op ten minste 5% van de som van de van toepassing zijnde theoretische bijstandsnorm (incl. vt.). De totaal door de belanghebbende te betalen bedragen worden zo vastgesteld dat hij ten minste blijft beschikken over de beslagvrije voet. Premies en vrijlatingen op grond van het premiebeleid en verwervingskosten worden niet als inkomen aangemerkt en tellen daarom niet mee. De aflossingsbedragen worden hoger vastgesteld als een inkomen boven de norm wordt genoten. Van het deel van het inkomen dat boven de toepasselijke bijstandsnorm ligt, wordt 35% in aanmerking genomen. Op grond van artikel 51 lid 2 PW kunnen de aflossingsbedragen en/of de duur van de aflossing gewijzigd worden afhankelijk van de omstandigheden van persoon en gezin.
Matiging
Indien er sprake is van noodzakelijk te achten extra financiële lasten, kan de hoogte van het aflossingsbedrag worden gematigd. Ook de looptijd kan in dergelijke gevallen worden bekort.
Samenloop met andere leningen/schulden
Andere leningen bij de afdeling worden zoveel mogelijk samengevoegd tot één lening. In andere gevallen kan een schuldregeling of schuldsanering aan de orde zijn. Zie ook paragraaf ““Natura”” onderdeel 4.
Vorm bijstand
Bijzondere bijstand in de kosten van woning-(her-)inrichting (duurzame gebruiksgoederen) wordt verstrekt als leenbijstand. In bijzondere gevallen wordt de bijstand om niet verstrekt
Eerste huisvesting statushouders (Vbta/Vota)
Wanneer een statushouder na het verlaten van het AZC een woning betrekt, kan bijzondere bijstand voor inrichtingskosten worden verstrekt.
Hiervoor geldt het volgende:
Een lening wordt verstrekt voor de totale woninginrichting tot maximaal het bedrag genoemd in onderstaande tabel. De te maken inrichtingskosten wordt in twee voorschotten verstrekt. Voordat het tweede voorschot wordt verstrekt, moeten de nota’s van de gemaakte inrichtingskosten van het eerste voorschot worden ingeleverd en beoordeeld.
De lening dient gedurende maximaal 36 maanden te worden terugbetaald door inhouding op de PW-uitkering van 5% van de uitkeringsnorm (inclusief vakantietoeslag). Bij eventuele werkaanvaarding kan het aflossingsbedrag worden verhoogd. Na de periode van 36 maanden het restant van de lening om niet verstrekken (niet terugvorderen).
De lening moet in zijn geheel verantwoord worden door het overleggen van de nota’s/betalingsbewijzen. In de situatie dat men na aanmaning heeft nagelaten de nota’s (meest voorkomend alleen van het tweede voorschot) te overleggen, kan er een huisbezoek plaatsvinden door de specialist inkomen om te beoordelen of het geleende bedrag op een juiste manier is besteed. Indien dan blijkt dat de lening niet besteed is aan het doel waarvoor deze verstrekt is, kan overwogen worden dit deel van de lening in zijn geheel terug te vorderen met toepassing van artikel 54 lid 3 tweede volzin PW en artikel 58 lid 2 onder b PW.
Overbruggingsuitkering
Er kan een overbruggingsuitkering (op individualiserende gronden) worden verstrekt: echtpaar € 660,00; alleenstaande ouder € 420,00; alleenstaande € 420,00 (bedragen per 1-1-2025; bedragen blijven de komende 3 jaren tot 1-1-2028 ongewijzigd). De overbruggingsuitkering behoeft niet te worden terugbetaald.
Woninginrichting
Gezinssamenstelling en bedrag (50% van bedrag Nibud), per 1 januari 2024 tot 1 januari 2026
Alleenstaande (zelfstandig gehuisvest)
€ 5.166,00
(Kamerbewoner 50% van het bedrag)
Alleenstaande ouder 1 kind
€ 5.780,00
Alleenstaande ouder 2 kinderen
€ 6.356,00
Alleenstaande ouder 3 kinderen
€ 7.139,00
Alleenstaande ouder 4 kinderen
€ 7.715,00
Gehuwden
€ 5.856,00
Gehuwden 1 kind
€ 6.431,00
Gehuwden 2 kinderen
€ 7.215,00
Gehuwden 3 kinderen
€ 7.791,00
Gehuwden 4 kinderen
€ 8.536,00
Voor elke persoon meer
€ 650,00
Indien de woning volledig gestoffeerd wordt opgeleverd brengen we een bedrag van € 1.900,00 (2 personen) minus het bedrag dat is betaald voor overname van de stoffering in mindering. Indien het om meer personen gaat het bedrag zoals omschreven in de prijzengids.
De bedragen worden aan de hand van de Nibud-prijzengids elke 2 jaar aangepast. Dit wordt automatisch doorgevoerd.
Artikel 36.
Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten (B101)
Onderdeel van Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Weststellingwerf