Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 10.

Vervallen, intrekken urgentieverklaring of wijzigen urgentiecategorie

Onderdeel van Huisvestingsverordening gemeente Valkenswaard 2025-2029

1.. De urgentieverklaring vervalt: als aan de houder ervan een huisvestingsvergunning is verleend voor het in gebruik nemen van woonruimte die voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel; of, na zes maanden vanaf de dag na bekendmaking van de urgentieverklaring aan de aanvrager, tenzij de geldigheidsduur van de urgentieverklaring met toepassing van het derde lid, onder c, wordt verlengd. 2.. Het college van burgemeester en wethouders kan de urgentieverklaring intrekken indien: de houder van de urgentieverklaring niet of niet meer voldoet aan: de criteria voor indeling in de urgentiecategorie; het bepaalde in artikel 10, tweede lid, onder a, b of c, van de Huisvestingswet 2014; het gezamenlijke inkomen van de houder en de andere leden van diens huishouding hoger is dan de inkomensgrens bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; de houder van de urgentieverklaring bij de aanvraag gegevens heeft verstrekt waarvan die wist of kon weten dat deze onjuist of onvolledig waren en burgemeester en wethouders, indien zij de juist of volledige gegevens wel hadden gehad, de urgentieverklaring geweigerd zouden hebben; de houder van de urgentieverklaring een door een woningcorporatie aan hen te huur aangeboden woonruimte heeft geweigerd, terwijl die woning voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel; of, 3.. het college van burgemeester en wethouders kan de urgentieverklaring wijzigen indien: de houder van de urgentieverklaring in aanmerking komt voor indeling in een andere urgentiecategorie; gewijzigde feiten en omstandigheden tot gevolg hebben, dat het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel aangepast moet worden; of, 4.. het college van burgemeester en wethouderes kan de urgentieverklaring met maximaal zes maanden verlengen, indien : aan de houder van de urgentieverklaring binnen het eerste deel van de geldigheidsduur geen woonruimte te huur is aangeboden die voldeed aan het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel; de door woningcorporaties gedurende het eerste deel van de geldigheidsduur te huur aangeboden woonruimte niet voldeed aan het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel; de houder van de urgentieverklaring gedurende het eerste deel van de geldigheidsduur al het mogelijke heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem of haar gevergd kan worden, om het urgente woonprobleem zelf op te lossen; en op basis van een actuele inschatting aannemelijk is dat verlenging van de geldigheidsduur leidt tot een reële kans op passende huisvesting binnen de verlengingstermijn. Indien ook na de verlenging geen uitzicht bestaat op passende huisvesting, treedt het college in overleg teneinde gezamenlijk tot een oplossing te komen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel