Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 7.

Verplichtingen met betrekking tot de invordering

Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering en verhaal WWB en WIJ 2011

1.. Voor debiteuren met een lopende uitkering wordt de betalingsverplichting geїncasseerd door middel van inhouding op de maandelijks verleende uitkering ingevolge de WWB en WIJ op grond van artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek. 2.. De hoogte van de inhouding bedraagt maandelijks 10% van de betreffende bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag en de toeslag conform de Toeslagenverordening, ten aanzien van vorderingen die het gevolg zijn van het niet, niet tijdig of het niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 WWB of artikel 44 WIJ, tenzij de cliënt verzoekt een hoger bedrag in te houden. 3.. Ten aanzien van andere soorten vorderingen bedraagt de inhouding genoemd in artikel 7, lid 2 van deze beleidsregels 6%. 4.. Bij beëindiging van de uitkering worden alle vorderingen ineens opgeëist. Hierbij vindt verrekening met het vakantiegeld plaats (artikel 60, lid 3 WWB / artikel 56, lid 3 WIJ). 5.. Als blijkt dat betrokkene de schuld niet ineens kan voldoen, kan hi/zijj verzoeken om een ander aflossingsbedrag. 6.. a.   In beginsel worden alle vorderingen binnen 36 maanden afgelost met een bedrag van minimaal  € 20,00 per maand. b.   Als vorderingen niet binnen 36 maanden kunnen worden afgelost, stellen burgemeester en  wethouders jaarlijks een onderzoek in naar de hoogte van het inkomen teneinde een aflossingscapaciteit vast te stellen voor de duur van 12 maanden. 7.. Het aflossingsbedrag, zoals medegedeeld in het invorderingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting. Het aflossingsbedrag, dat onderling is overeengekomen, geldt als een betalingsregeling. 8.. Een netto-vordering wordt in deze gevallen altijd met de hoogste prioriteit afgelost ter voorkoming dat uitvoering moet worden gegeven aan artikel 58 lid 4 WWB of artikel 54 lid 4 WIJ.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel