Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Welke bevoegdheden heeft de toezichthouder?

Onderdeel van Uitvoeringsregel handhaving nachtregister gemeente Maashorst

Een toezichthouder heeft bevoegdheden om naleving van de wet- en regelgeving, waarvoor deze is aangewezen, te controleren. Deze bevoegdheden zijn geregeld in titel 5.2 Awb. Bij het toezichthouden op overtredingen van het digitale nachtregister is het denkbaar dat er een pand moet worden binnengetreden. Denk aan een recreatieverblijf of een woning voor verhuur aan internationale werknemers. De bevoegdheden in dit kader zijn de volgende: Betreden van plaatsen (art. 5:15 Awb) Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een verblijfsruimte zonder toestemming van de bewoner. Er kunnen terreinen worden betreden (zoals recreatieterreinen), bedrijfsgebouwen worden binnengegaan en er kan binnen gebouwen en omheiningen worden rondgekeken en gemeten. Het gaat hierbij om ‘zoekend rondkijken’. Wel mag de toezichthouder zijn andere bevoegdheden binnen uitoefenen (zoals inlichtingen of inzage vorderen, zaken onderzoeken). De toezichthouder kan iemand meenemen die daartoe door hem is aangewezen. Dat kan bijvoorbeeld omdat deze specifieke deskundigheid hebben. Hij kan ook de politie inschakelen om zichzelf toegang te verschaffen (de sterke arm). Het betreden van woningen Het betreden van woningen is zonder toestemming van de bewoner niet toegestaan. De bewoner moet dus om toestemming worden gevraagd. Daarbij moet de reden en het doel van het binnentreden worden vermeld. Zonder toestemming van de bewoner kan er in het kader van toezicht wel een machtiging door de burgemeester worden afgegeven. Dit gebeurt op grond van artikel 6:3 APV en de Algemene wet op het binnentreden (Awbi). Hiertoe wordt slechts overgegaan indien het doel waartoe wordt binnengetreden, het binnentreden zonder toestemming van de bewoner redelijkerwijs vereist. Het middel kan alleen worden ingezet indien: het vermoeden van een illegale situatie voldoende serieus is en het voor de bevestiging van dit vermoeden redelijkerwijs noodzakelijk is dat toegang wordt verkregen tot die woning, omdat geen minder ingrijpende middelen aanwezig zijn. Tegen de machtiging kan bezwaar worden gemaakt door de bewoner. Vorderen van inlichtingen (art. 5:16 Awb) Een toezichthouder is bevoegd om inlichtingen te vorderen. Uiteraard moet het wel verband houden met het toezicht op de naleving van het desbetreffende wettelijke voorschrift. In dit kader zijn het taakvervullingscriterium en de medewerkingsplicht van belang. Vorderen van inzage van identiteitsbewijs (art. 5:16a Awb) Een toezichthouder is bevoegd van personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Het niet voldoen aan de identificatieplicht levert een strafbaar feit op (art. 447e WvSr). Vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden (art. 5:17 Awb) Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden. Hij kan hiervan kopieën maken. Als dat ter plaatse niet lukt, kan hij voor het doel om kopieën te maken de gegevens en bescheiden voor korte tijd meenemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs. De toezichthouder moet duidelijk maken wat hij precies wil inzien en met welk doel. Algemeen normerend kader Bij het uitoefenen van toezicht dient de toezichthouder rekening te houden met een aantal zaken: Legitimatiebewijs Zo heeft de toezichthouder te allen tijde zijn legitimatiebewijs bij zich (art. 5:14 Awb). Deze moet hij tonen als erom gevraagd wordt. Ter voorkoming van de vraag, tonen de toezichthouders al bij aanvang van de controle hun legitimatiebewijs. Taakvervullingscriterium Daarnaast maakt de toezichthouder van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Dit heet het taakvervullingscriterium. Hij mag niet verder gaan dan strikt noodzakelijk en binnen de kaders, waarin hij toezicht houdt. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur De toezichthouder moet zich verder houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarover is het volgende bepaald: Zo moet de toezichthouder onder andere zijn taak vervullen zonder vooringenomenheid (art. 2:4 Awb). Er rust op hem een geheimhoudingsplicht (art. 2:5 Awb) Hij vergaart de nodige kennis en de af te wegen belangen (3:2 Awb) Hij gebruikt zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend (3:3 Awb). Ook de ongeschreven beginselen zijn van toepassing, zoals het vertrouwensbeginsel. Medewerkingsplicht Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Een uitzondering hierop vormt degene die uit hoofde van een ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht is tot geheimhouding, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit. Bewust geen medewerking verlenen is een strafbaar feit (art. 184 WvSr).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel