Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.25

Auto en autobus

Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025

(artikel 4.9 Wmo-verordening 2025) 1.. In aanvulling op artikel 4.9, tweede lid van de Verordening kan het college een auto of autobus toekennen als de cliënt objectief aangetoonde belemmeringen in de sta- en loopfunctie ondervindt waardoor hij problemen ervaart bij het zich verplaatsen buitenshuis, zowel op de korte als op de langere afstanden en op grond van medische, sociale en functionele beperkingen vast komt te staan dat er geen andere adequate voorziening is waarmee kan worden voorzien in de oplossing van het probleem. 2.. In aanvulling op het eerste lid geldt dat een auto of autobus slechts kan worden toegekend als: de cliënt ouder dan 18 jaar is; in het bezit is van een geldig rijbewijs; en de cliënt verzekerd is voor wettelijke aansprakelijkheid. 3.. In aanvulling op het eerste lid kan het college een voorziening tot aanpassing van de bruikleen auto of autobus toekennen als dit als dit vanwege de beperkingen of de fysieke gesteldheid van de cliënt medisch noodzakelijk is. 4.. Het college kan een voorziening tot aanpassing van de eigen auto van de cliënt toekennen als de auto alleen door een redelijke aanpassing bruikbaar is, de auto in goede staat verkeert, niet ouder is dan drie jaar of de maximale levensduur niet binnen vijf jaar wordt bereikt en er niet op andere adequate wijze kan worden voorzien in een oplossing. 5.. Het college kent een voorziening als bepaald in het vorige lid maximaal eenmaal in de vijf jaar toe. Een voorziening voor overplaatsing van aanpassingen binnen een periode van vijf jaar komt alleen voor toekenning in aanmerking als aangetoond wordt dat vervanging van de auto door medische of sociale redenen noodzakelijk is. 6.. Het college kan een financiële tegemoetkoming voor een speciale autostoel toekennen indien: een autostoel niet als voornaamste doel heeft de zithouding te verbeteren; de stoel niet normaal in de handel verkrijgbaar is; de belanghebbende reeds klachten krijgt na het rijden van enkele kilometers of binnen een kwartier; de aanschaf van de stoel niet uit preventief oogpunt geschiedt; de persoon met beperkingen bij de aankoop van de auto rekening heeft gehouden met zijn/haar beperkingen en het noodzakelijke zitcomfort; en er geen andere hulpmiddelen zijn om de stoel adequaat te maken voor de korte en middellange afstand. 7.. Het college kan een financiële tegemoetkoming voor een aangepast autozitje toekennen indien het voor de ouder(s) noodzakelijk is dat zij hun kind meenemen bij verplaatsingen in het kader van het leven van alledag en hierin niet op andere wijze in kan worden voorzien. 8.. Het college kan eenmaal in de vijf jaar een financiële tegemoetkoming voor een aangepast autozitje in de eigen auto van de cliënt toekennen. Binnen deze periode wordt een tegemoetkoming voor de kosten van overzetting van een autozitje enkel toegekend als is aangetoond dat vervanging van de auto noodzakelijk was als gevolg van een gewijzigde medische of sociale situatie. 9.. In aanvulling op het eerste lid kan het college een voorziening verstrekken voor rijlessen of -instructies voor het kunnen bedienen van- en deelname aan het verkeer met een aangepaste auto of autobus als de cliënt nog onvoldoende vaardigheid heeft om het voertuig te bedienen of onvoldoende rijvaardig is om zelfstandig aan het verkeer deel te nemen. 10.. In aanvulling op het eerste lid kan het college een financiële tegemoetkoming voor het aanleggen van een parkeerplaats voor een auto of autobus toekennen als de cliënt in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerplaats. 11.. In aanvulling op het eerste lid kan het college een financiële tegemoetkoming toekennen voor het gebruik van een (eigen) auto of autobus indien dit voor de cliënt leidt tot meerkosten ten opzichte van de situatie voor de aanvraag en ten opzichte van andere personen zonder beperkingen in een vergelijkbare situatie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel