Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk III –

Artikel 8

Bijdrage voor verblijf in de opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld

Onderdeel van Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025

1.. De hoogte van de bijdrage voor verblijf in de opvang wordt bepaald op basis van de op de leefsituatie van toepassing zijnde normbedragen, als genoemd in artikel 21 van de Participatiewet, de mogelijke verlaging van de bijstandsnorm conform artikel 27 van de Participatiewet, verminderd met de zak- en kleedgeldgrens, zoals vermeld in artikel 23, eerste lid, van de Participatiewet, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie, gecorrigeerd met de zorgtoeslag (volgens artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag). 2.. De berekening van de bijdrage is exclusief vakantiegeld. Vakantiegeld wordt ingehouden en jaarlijks uitgekeerd. 3.. Gehuwden waarvan een van beide partners gebruik maakt van de opvang, worden als alleenstaande behandeld ten aanzien van de bijdrage. 4.. Indien de cliënt verkiest dat de instelling in voeding voorziet, wordt het volledige bedrag van de bijdrage geïnd, zoals vermeld in lid 1. 5.. Indien de cliënt als onderdeel van de begeleiding verkiest te voorzien in eigen voeding, vindt restitutie van voedingskosten plaats door de instelling. Het bedrag voor voedingskosten bedraagt minimaal € 140,00 per maand en maximaal € 173,00 per maand voor een persoon van 18 jaar of ouder. Indien de cliënt in een instelling verblijft waar deze standaard niet voorziet in voeding, wordt de bijdrage verminderd met voornoemd bedrag voor voedingskosten. 6.. De bijdrage wordt per maand berekend en is verschuldigd voor de 1e van de maand voor iedere dag of gedeelte van de dag, waarop de cliënt gebruik maakt van het aanbod van de instelling. Een gedeelte van de maandelijkse periode wordt naar rato van het aantal dagen berekend op basis van het werkelijke aantal dagen in de betreffende periode. 7.. In het geval het werkelijk inkomen verminderd met de op basis van lid 1 bepaalde bijdrage minder bedraagt dan de norm zak- en kleedgeld, wordt de bijdrage zodanig verminderd, dat de norm voor zak- en kleedgeld beschikbaar blijft. 8.. Het voorgaande lid wordt niet toegepast als de cliënt naar het oordeel van het college van burgemeesters en wethouders verzuimt om voldoende inkomen te verwerven (zoals huurtoeslag, kinderbijslag en woonkostentoeslag).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel