De welstandsgebieden die vallen in het bijzonder welstandsniveau zijn (zie ook kaarten bijlage 2):
Linten landelijk en stedelijk (gebieden 4 & 5);
Multifunctionele gebieden (gebied 13);
Landelijk gebied (gebied 16);
Hoofdroutes (gebied 17).
Voor deze welstandsgebieden geldt ook het faciliterend beoordelingskader. Naast de genoemde basiscriteria (zie paragraaf 4.1.2) zijn er in hoofdstuk 3 van de welstandnota een aantal aanvullende criteria benoemd. Voor het plaatsen, betekent dit het volgende:
Antenne-installaties (spriet of staafantenne) mogen maximaal 5,00 m hoog zijn (gemeten vanaf maaiveld of snijpunt met aangrenzend dakvlak bij plaatsing op dak of aan gevel).
Installatie en bijbehorende voorzieningen als één geheel vormgeven en opnemen in een kast als onderdeel van de bouwmassa en architectuur van het gebouw.
Voor het landelijk gebied geldt de richtlijn dat er zoveel mogelijk bij al gebouwde of gerealiseerde elementen in het gebied geplaatst dient te worden. Denk aan wegen, viaducten, hoogspanningsmasten en verkeersportalen maar ook aan agrarische bedrijfscentra en de daar aanwezige hogere bouwwerken, zoals silo’s. Daarbij heeft een locatie in of aan een bos de voorkeur boven een locatie midden in een open weidegebied. Voor beschermd natuurgebied dient een grote mate van terughoudendheid te worden betracht bij de plaatsing van nieuwe installaties (zie hoofdstuk 3, Natura-2000 activiteit).
Figuur 5: Overzicht Faciliterend en Restrictief binnen de Welstandniveaus
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.1
Artikel 4.1.3
Welstandgebieden met bijzonder welstandniveau
Onderdeel van Handreiking opstelpunten antenne-installaties